Aanbevolen Voegdikte in Metselwerk: Richtlijnen en Uitvoering
Het metselen van een muur is een essentieel onderdeel van elke bouw- of renovatieproject. De juiste voegdikte speelt daarbij een cruciale rol in de stabiliteit, esthetiek en duurzaamheid van het metselwerk. In dit artikel worden de aanbevolen voegdiktes, afhankelijk van het type metselwerk en de toepassing, besproken. We laten ook zien hoe voegdikte wordt bepaald in de praktijk, en welke richtlijnen er zijn voor de uitvoering.
De informatie in dit artikel is gebaseerd op concrete richtlijnen uit meerdere betrouwbare bronnen, waaronder Wienerberger en lokale regelgeving op het gebied van monumentenzorg. Deze richtlijnen zijn afkomstig van erkende partijen op het gebied van bouwtechnologie, metselwerk en gevelbehandeling.
Inleiding
Voegdikte in metselwerk is een technische parameter die niet alleen invloed heeft op de bouwkundige eigenschappen van de constructie, maar ook op de duurzaamheid en esthetiek. Een te dunne voeg kan leiden tot instabiliteit, terwijl een te dikke voeg de structuur overbelast en het gevelbeeld vervormt.
In de context van metselwerk is het daarom essentieel om de voegdikte aan te passen aan het type metselsteen, het metselverband, de lagenmaat en eventuele specifieke regelgeving bij historische bouwwerken of monumenten.
De informatie in dit artikel is gebaseerd op de volgende richtlijnen:
- De aanbevolen voegdikte bij metselwerk met Porotherm metselblokken is ca. 12 mm, met een minimum van 7/8 mm.
- Bij het inzetten van metselstenen dient rekening gehouden te worden met de maatvoering van de stenen en de stootvoegen.
- In het kader van monumentenzorg is het belangrijk om historisch juiste voegwerk en pleisterwerk te herstellen, waarbij de voegdikte en samenstelling aan de oorspronkelijke materialen aangepast moeten zijn.
- De uithaktechniek van voegen is van invloed op de hechting en de duurzaamheid van het voegwerk. De voegdikte moet in verhouding tot de voegdiepte worden uitgevoerd.
Door deze richtlijnen te volgen, kan men zowel functioneel als esthetisch aantrekkelijk metselwerk realiseren dat aan de huidige bouweisen en eventuele monumentale eisen voldoet.
Aanbevolen voegdikte bij metselwerk
1. Algemene richtlijnen
In de praktijk is het aan te bevelen om bij metselwerk met standaard metselstenen uit te gaan van een voegdikte van ongeveer 12 mm. Deze maat is een compromis tussen stabiliteit, duurzaamheid en esthetiek. Echter, deze maat kan variëren afhankelijk van het type metselsteen, het metselverband en de lagenmaat.
De minimumdikte van de lintvoeg dient 7/8 mm te zijn. Dit is van belang om eventuele maatafwijkingen op te vangen en om de hechting tussen de metselstenen te waarborgen.
Porotherm metselblokken
Bij het gebruik van Porotherm metselblokken is het aan te bevelen om uit te gaan van een lintvoegdikte van ca. 12 mm. Deze metselblokken zijn grofkeramische bouwmaterialen, waarbij maatafwijkingen kunnen optreden. Daarom is het essentieel om de lintvoegdikte aan te passen aan de specifieke situatie op de bouwplaats.
Bij het metselen van Porotherm metselblokken is de lintvoeg ook bedoeld om maatspreiding in de blokken op te vangen. Dit betekent dat een te dunne voeg de constructie niet goed kan compenseren. Daarom is een voegdikte van ten minste 7/8 mm verplicht.
2. Voegdikte en metselverband
Het metselverband beïnvloedt direct de maatvoering en daarmee ook de voegdikte. Voorbeelden van metselverbanden zijn strekverband, halfsteenverband, wildverband en klezorenverband. Elk verband heeft zijn eigen regels voor de maatvoering.
Bij strekverband wordt de maatvoering bepaald door de koppenmaat, oftewel de steenbreedte plus een stootvoeg. Bij halfsteenverband is de maatvoering n x koppenmaat minus voeg.
Bij klezorenverband gelden extra regels. Zo dient een laag te beginnen met een drieklezoor of een kop, nooit met een strek. Ook mag er nooit 2 drieklezoren in één laag worden gebruikt. Als een laag met een drieklezoor begint, moet de laag eindigen met een kop. Deze regels zijn van belang voor de regelmatigheid van het metselwerk en de correcte voegdikte.
3. Maatvoering en voegdikte
De maatvoering van het metselwerk wordt bepaald door de koppenmaat en de voegdikte. Bij een muuropening is de maatvoering altijd: t n x koppenmaat + voeg. Een muurdam heeft een maatvoering van n x koppenmaat – voeg.
Het bepalen van de koppenmaat gebeurt praktisch door minstens 20 bakstenen uit de partij te gebruiken. Tien bakstenen worden als strekken achter elkaar gelegd, waarbij tien stoten op de haak worden aangebracht. De restmaat is dan tien stootvoegen. Deze methode is een manier om de voegdikte in de praktijk te bepalen en te controleren.
Het is aan te bevelen om in het ontwerpstadium de maatvoering van het metselwerk te afstemmen op de maatvoering van de baksteen. Dit zorgt voor een betere uitvoering en een beter overzicht van de voegdikte.
4. Voegdikte in het kader van monumentenzorg
Bij historische of monumentale gebouwen zijn er specifieke regels voor het metselen en het voegwerk. In dit kader is het belangrijk om het metselwerk historisch juist uit te voeren, zowel qua voegdikte als qua samenstelling van het voegwerk.
Richtlijnen uit de regelgeving
- Het inboeten van metselwerk dient met bijpassende stenen te geschieden, lettend op kleur, hardheid en afmeting. Het inboetwerk moet in het bestaande metselverband worden uitgevoerd.
- Nieuw voegwerk dient qua samenstelling, eigenschappen, kleur en uitvoering overeen te komen met het historisch juiste voegwerk.
- Het voegwerk dient tot ten minste 30 centimeter beneden het maaiveld te worden nagezien en indien nodig hersteld of vernieuwd.
- De voegen dienen in verband met een goede hechting van de voegspecie zodanig te worden uitgehakt dat de voeg voldoende massa heeft. Als richtlijn kan worden aangehouden een verhouding van voegdikte staat tot voegdiepte als één staat tot twee.
- Het uithakken van voegen dient uitsluitend met de hand of, indien pneumatisch, met een fijne beitel te geschieden. Het uitslijpen van de voegen is slechts toegestaan met gebruikmaking van een zo klein mogelijke slijptol, voorzien van een afzuiging.
Bij monumentale metselwerkzaamheden is het daarom niet alleen de voegdikte die van belang is, maar ook de samenstelling en uitvoering van het voegwerk. Het is aan te bevelen om een monster van het nieuwe voegwerk voorafgaand aan het integraal uithakken van de gevel(s) ter goedkeuring te melden bij de gemeentelijke monumenteninspecteur.
5. Voegdikte en pleisterwerk
In het kader van metselwerk is ook het pleisterwerk een essentieel onderdeel. Nieuw pleisterwerk dient in samenstelling, kleur en uitvoering overeen te komen met het bestaande, historisch juiste pleisterwerk. Het pleisterwerk dient tot ten minste 30 cm beneden het maaiveld te worden nagezien, hersteld of vernieuwd.
De samenstelling van het pleisterwerk dient aan de hardheid van de onderliggende steen aangepast te zijn. Dit heeft ook invloed op de voegdikte, omdat het pleisterwerk een onderdeel vormt van de gevelconstructie.
Bij het schilderen van pleisterwerk of natuursteen dient uitsluitend gebruik te worden gemaakt van een glad opdrogende verf. Het verfsysteem dient aangepast te zijn aan het over te schilderen type pleisterwerk of natuursteen, in verband met de waterhuishouding in de constructie.
6. Uitvoering van het voegwerk
De uitvoering van het voegwerk is van groot belang voor de duurzaamheid van het metselwerk. De volgende richtlijnen zijn van toepassing:
- Het voegwerk dient in verband met een goede hechting van de voegspecie zodanig te worden uitgehakt dat de voeg voldoende massa heeft. Als richtlijn kan worden aangehouden een verhouding van voegdikte staat tot voegdiepte als één staat tot twee.
- Het uithakken van voegen dient uitsluitend met de hand of, indien pneumatisch, met een fijne beitel te geschieden. Het uitslijpen van de voegen is slechts toegestaan met gebruikmaking van een zo klein mogelijke slijptol, voorzien van een afzuiging.
- Bij het inzetten van metselstenen dient rekening gehouden te worden met de maatvoering van de stenen en de stootvoegen.
Een correct uitgevoerde voegdikte zorgt niet alleen voor een stabiele constructie, maar ook voor een esthetisch aantrekkelijk resultaat. Dit is van extra belang bij historische of monumentale gebouwen, waarbij de originele esthetiek en constructie nauwkeurig moeten worden nagebouwd.
7. Voegdikte en isolatie
Bij moderne bouwprojecten is het toepassen van isolatie vaak een noodzakelijke maatregel. Isolatie ten behoeve van warmte- en geluidsisolatie moet zodanig worden ingepast dat dit geen consequenties heeft voor de historische vormgeving of detaillering. Dit geldt ook voor de voegdikte, aangezien isolatie invloed kan hebben op de maatvoering en de structuur van het metselwerk.
Het verdient aanbeveling om bij de aanwezigheid van waardevolle muurplanten, vleermuizen en/of kerkuilen contact op te nemen met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Oost te Deventer.
8. Praktische toepassing
In de praktijk is het aan te bevelen om de voegdikte te bepalen op basis van het metselverband en de maatvoering. Een correcte voegdikte zorgt voor een betere hechting, een betere drukverdeling en een betere esthetiek. Het is daarom belangrijk om tijdens het ontwerfase de voegdikte goed te bepalen en te controleren.
Bij het metselen van Porotherm metselblokken is het aan te bevelen om in basis uit te gaan van een lintvoegdikte van ca. 12 mm, maar bij voorkeur niet dunner dan 7/8 mm. De lintvoeg is ook bedoeld om maatspreiding in de blokken op te vangen.
Bij het bepalen van de maatvoering is het aan te bevelen om 10 blokken naast elkaar te leggen en daarmee de gemiddelde hoogte van de blokken te bepalen. Voor de lintvoegdikte kunt u uitgaan van een dikte van ca. 4 mm.
9. Samenvatting
In dit artikel zijn de aanbevolen voegdiktes in metselwerk besproken, op basis van de richtlijnen uit de betrouwbare bronnen. De voegdikte is van invloed op de stabiliteit, duurzaamheid en esthetiek van het metselwerk. Het is daarom belangrijk om de voegdikte correct te bepalen en te controleren.
Bij het gebruik van Porotherm metselblokken is het aan te bevelen om uit te gaan van een lintvoegdikte van ca. 12 mm, met een minimum van 7/8 mm. Bij het bepalen van de maatvoering is het aan te bevelen om 10 blokken naast elkaar te leggen en daarmee de gemiddelde hoogte van de blokken te bepalen.
In het kader van monumentenzorg is het belangrijk om het metselwerk historisch juist uit te voeren. Het voegwerk dient qua samenstelling, eigenschappen, kleur en uitvoering overeen te komen met het bestaande voegwerk. Het voegwerk dient tot ten minste 30 centimeter beneden het maaiveld te worden nagezien en indien nodig hersteld of vernieuwd.
Door deze richtlijnen te volgen, kan men zowel functioneel als esthetisch aantrekkelijk metselwerk realiseren dat aan de huidige bouweisen en eventuele monumentale eisen voldoet.
Bronnen
Related Posts
-
Injecteren van metselwerk: Technieken, materialen en toepassingen voor duurzame herstelprojecten
-
De juiste inbouwdoos voor metselwerk: tips en toepassingen voor schakel- en verlichtingsinstallaties
-
Hydrofobeermiddelen voor metselwerk: Wat is het, waarom en hoe kies je het juiste product?
-
Houtskeletbouw en de aansluiting op metselwerk: Technische details en uitvoering
-
Houtskeletbouw met metselwerk: voordelen, nadelen en bouwkundige aandachtspunten
-
Houtskeletbouw met metselwerk: een duurzame en flexibele bouwtechniek
-
Houtskeletbouw op metselwerk: Techniek, Voordelen en Nadelen voor Duurzame Woningen
-
Houten gevelbekleding op metselwerk: Uitvoering, voordelen en kosten