Opgaand metselwerk: historische correctheid, materiaalkennis en uitvoeringsvoorschriften
Het opgaand metselwerk vormt een kernaspect van zowel historische als moderne bouwpraktijken. In de context van renovatie- en restauratieprojecten, vooral bij monumentale gebouwen, is het gebruik van historisch correcte en materiaalcompatibele mortels en metseltechnieken essentieel voor het behoud van de originele waarde en het voorkomen van schade. De SOURCE DATA biedt een uitgebreid overzicht van de technische richtlijnen, aandachtspunten en regelgeving rondom opgaand metselwerk. In dit artikel wordt die informatie systematisch toegelicht, met nadruk op de keuze van mortels, uitvoeringsmethoden, controleprocedures en de rol van autoriteiten bij restauraties.
Inleiding: Opgaand metselwerk in historisch en technisch perspectief
Opgaand metselwerk verwijst naar het metselwerk boven het maaiveld, dat is zichtbaar vanaf de buiten- of binnenzijde van een gebouw. In tegenstelling tot funderings- of kademetselwerk dat meestal onder water of onder hoge vochtbelasting staat, is opgaand metselwerk voornamelijk blootgesteld aan droogte, regen en mechanische belasting. De keuze van mortel en uitvoeringswijze heeft hierdoor een grote impact op de duurzaamheid, het uiterlijk en de historische authenticiteit van het gebouw.
De meeste historische gebouwen zijn opgemetseld met kalkmortels. In de moderne bouw is cementmortel standaard, maar bij herstel- en restauratieprojecten wordt steeds vaker teruggegrepen op kalkmortels om de compatibiliteit met bestaande materialen te waarborgen. De SOURCE DATA bevat uitgebreide richtlijnen over de samenstelling van mortels, de uitvoering van voegwerk, de controleprocedure en de regelgeving in verband met monumenten.
1. Mortelsamenstelling en toepassing
1.1 Kalkmortels versus cementmortels
Het gebruik van kalkmortels is in de context van opgaand metselwerk essentieel. Kalkmortels zijn poreuzer en flexibelere materialen dan cementmortels, wat betekent dat ze beter kunnen ademen en minder schade veroorzaken aan steen of baksteen. Cementmortels zijn stijf en niet porus, waardoor ze de ademendheid van het metselwerk kunnen belemmeren en schade veroorzaken aan de stenen. Dit is vooral relevant bij historische metselwerken, waar het gebruik van cementmortels vaak leidt tot opspeling, verkleuring of zelfs breuk in de stenen.
Voor opgaand metselwerk dat meestal droog is, zoals binnenmuurwerk en gewelven, is een luchtkalk geschikt. Voor buitenmetselwerk dat afwisselend droog en vochtig is of mechanisch belast wordt, zoals sommige buitengevels, kan men een licht hydraulische mortel kiezen. Voor metselwerk dat continu in contact staat met water, zoals trasraam of kademuren, is een hydraulische mortel nodig.
1.2 Samenstelling van kalkmortels
Een hydraulische mortel kan bestaan uit:
- Hydraulische steenkalk
- Luchthardende steen- of schelpkalk met toevoeging van tras (puzzolaan)
- Een combinatie van kalk en cement (bastaardmortel)
Traskalkmortels hebben in het algemeen een samenstelling waarbij tras en kalk in gelijke volumeverhouding aanwezig zijn. Het volume tras mag niet groter zijn dan het volume luchtkalk, en het volume zand mag niet groter zijn dan drie maal het volume kalk plus tras. Een veel voorkomende verhouding is: 1 deel kalk, 1 deel tras en 5 delen zand.
De keuze van de juiste samenstelling van de mortel is afhankelijk van de hardheid van de onderliggende steen. Een dikkere mortel is bijvoorbeeld geschikt voor zachte stenen, terwijl een fijne mortel beter past bij harde bakstenen. De SOURCE DATA benadrukt hier dat de samenstelling van het pleisterwerk aan de hardheid van de onderliggende steen moet zijn aangepast.
1.3 Hydraulische versus luchtkalk
Hydraulische mortels hebben doorgaans een grotere mechanische sterkte en een grotere hechting dan niet-hydraulische mortels. Bovendien zorgt tras voor een sterkere hechting van de mortel aan de steen. In historische contexten is echter vaak sprake van luchtkalkmortels, aangezien die flexibel zijn en goed kunnen ademen. Bij herstelprojecten dient men dan ook eerst het bestaande morteltype te analyseren, om historische correctheid en materialcompatibiliteit te waarborgen.
2. Uitvoeringsvoorschriften voor voegwerk
2.1 Uithakken van bestaand voegwerk
Bij het herstellen van opgaand metselwerk is het uithakken van voegen een cruciale fase. De SOURCE DATA geeft duidelijke richtlijnen in dit opzicht. Het uithakken van voegen dient uitsluitend met de hand of met een fijne beitel te geschieden. Het gebruik van pneumatische gereedschap is toegestaan, maar enkel bij het gebruik van een fijne beitel. Het inboeten van het metselwerk dient met bijpassende steen te geschieden, lettend op kleur, hardheid en afmeting. Inboetwerk dient in het bestaande metselverband te worden uitgevoerd.
Smalle stootvoegen mogen niet worden verbreed. Het zogenaamde "ophakken" van stootvoegen is niet toegestaan. Dit betekent dat het voegwerk moet worden uitgevoerd in de bestaande dikte, zonder verandering van de originele voegbreedte.
2.2 Diepte en dikte van voegen
De voegen dienen zodanig te worden uitgehakt dat er voldoende massa is voor een goede hechting van de voegspecie. Een richtlijn is dat de verhouding tussen voegdikte en voegdiepte 1 staat tot 2 moet zijn. Dit betekent dat als een voeg 1 cm dik is, deze minimaal 2 cm diep moet worden uitgehaakt.
2.3 Proefstukken en goedkeuring
Voorafgaand aan het integraal uithakken van de gevel of metselwerk moet een proefstuk worden uitgevoerd. Dit proefstuk dient op een onopvallende plaats, zoals hoog op de gevel, te worden uitgevoerd. Het proefstuk wordt beoordeeld op het uithakken en het voegen, en moet worden uitgevoerd door degenen die het gehele werk zullen gaan uithakken en voegen. Dit dient om consistentie en kwaliteit van het werk te waarborgen.
Daarnaast dient een monster van het nieuwe voegwerk voorafgaand aan het integraal uithakken ter goedkeuring te worden gemeld bij de gemeentelijke monumenteninspecteur. Dit is een verplichte controlemaatregel om historische correctheid en kwaliteit te waarborgen.
3. Pleisterwerk en uitvoering
3.1 Samenstelling en kleur
Het pleisterwerk dient in samenstelling, kleur en uitvoering overeen te komen met het historisch juiste pleisterwerk. Dit betekent dat het pleisterwerk moet worden afgestemd op het originele materiaal en kleur van het metselwerk. Dit is een essentiële eis bij restauraties van monumentale gebouwen.
Het pleisterwerk moet ter hoogte van het maaiveld tot ten minste 30 cm beneden het maaiveld worden nagezien, hersteld of vernieuwd. Hierbij is het belangrijk om rekening te houden met de hardheid van de onderliggende steen, zodat het pleisterwerk optimaal aansluit.
3.2 Uitvoeringsrichtlijnen
Het pleisterwerk dient in verband met een goede hechting van de voegspecie zodanig te worden uitgevoerd. Het is verder verboden om agressieve reinigingsmethoden zoals stralen of chemische reinigingsmiddelen te gebruiken. Het stomen onder lage druk is echter toegestaan.
Bij restauraties dient het pleisterwerk te worden uitgevoerd door ervaren vakmensen die vertrouwd zijn met historisch correcte technieken en materialen. Het is eveneens verboden om gevelafwerking toe te passen die niet aanwezig is in de bestaande situatie, tenzij dit in het inspectierapport van de Monumentenwacht is geadviseerd en door het college is geaccordeerd.
4. Regels en verboden bij herstel van opgaand metselwerk
4.1 Verboden materialen en technieken
In het kader van het herstel van opgaand metselwerk zijn er verschillende verboden die in de SOURCE DATA worden genoemd. Het gebruik van tropische hardhoutsoorten is bijvoorbeeld niet toegestaan bij het herstellen van houten onderdelen. Daarnaast is de toepassing van kunststofmaterialen zoals multiplex, kunststofverlijmde vezelplaten of hiermee vergelijkbare plaatmaterialen niet toegestaan bij het herstellen van dakgoten, windveren, dekplanken, gevel- of dakbeschietingen.
Het hydrofoberen en impregneren van gevels is eveneens verboden, evenals het toepassen van steenverstevigers. Deze materialen kunnen de ademendheid van het metselwerk belemmeren en schade aan het originele materiaal veroorzaken.
4.2 Invoegen van moderne functies
De SOURCE DATA benadrukt ook dat toe te voegen elementen ten behoeve van geriefs- of functieverbetering (zoals isolatie voor warmte en geluid, ventilatie, beschermende beglazing, etc.) op een zodanige wijze moeten worden ingepast dat dit geen gevolgen heeft voor de historische vormgeving of detaillering. Dit betekent dat moderniseringen moeten worden uitgevoerd zonder de originele architecturale waarde van het gebouw te verliezen.
5. Controle en goedkeurprocedures
5.1 Betrokken partijen
Alle partijen die betrokken zijn bij de voorbereiding, planvorming, uitvoering en controle van onderhouds- en restauratiewerkzaamheden (zoals eigenaar, architecten, opzichters, aannemers, uitvoerders, onderaannemers, ambtenaren bouw- en woningtoezicht etc.) dienen van deze uitvoeringsvoorschriften op de hoogte te worden gebracht. Dit dient, indien gewenst, schriftelijk door de subsidieaanvrager aan te tonen.
5.2 Rol van de gemeente
Bij restauratieprojecten is het van belang om goed contact te houden met de gemeentelijke monumenteninspecteur. Deze partij speelt een sleutelrol bij het beoordelen van het historische en technische kwaliteit van het werk. Het is verder aan te raden om bij aanwezigheid van waardevolle muurplanten, vleermuizen of kerkuilen contact op te nemen met het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, Directie Oost te Deventer, om eventuele ecologische aspecten in overweging te nemen.
6. Specifieke richtlijnen voor funderingsmetselwerk
Hoewel funderingsmetselwerk strikt genomen niet onder het opgaand metselwerk valt, is het in de SOURCE DATA eveneens besproken. De fundering op ‘staal’ d.m.v. metselwerk is een traditionele methode die in ons land bekend is. Deze methode maakt gebruik van metselwerk van tenminste twee lagen hoog, waarbij de blokken aan beide zijden ¼ steen verspringen. Dit dient om de muurbelasting over een grotere breedte te spreiden en schuifspanningen in het metselwerk te vermijden.
De aanlegbreedte van de fundering wordt vaak bepaald door de vuistregel dat deze 2 tot 3 maal de dikte van het opgaand muurwerk moet zijn. Echter, deze vuistregel is een grove benadering en niet wetenschappelijk onderbouwd. Vooral bij grote muurbelastingen en een relatief lage toelaatbare gronddruk kan het gebruik van deze vuistregel leiden tot onjuiste resultaten. Het is daarom aan te raden om bij dergelijke projecten steeds een rekenmethode te hanteren die op wetenschappelijke grondslag berust.
Conclusie
Opgaand metselwerk speelt een cruciale rol in de bouwsector, zowel in historische contexten als in moderne renovatieprojecten. De keuze van de juiste mortels, de uitvoering van het voegwerk en het pleisterwerk zijn essentieel voor het behoud van de originele structuur en het voorkomen van schade. De SOURCE DATA benadrukt de noodzaak van historische correctheid, materialcompatibiliteit en professionele uitvoering. Bovendien zijn er regelgeving en verboden die in acht moeten worden genomen bij restauraties, zoals het gebruik van bepaalde materialen en technieken.
De controleprocedure en goedkeur door de gemeentelijke monumenteninspecteur vormen een belangrijk onderdeel van het proces. Het is eveneens belangrijk dat alle betrokken partijen van de uitvoeringsvoorschriften op de hoogte zijn, om consistente en kwalitatief hoogwaardige resultaten te behalen. Door deze richtlijnen en richtsnoeren te volgen, kan men zorgen voor een duurzame, functionele en esthetisch aantrekkelijke uitvoering van opgaand metselwerk.
Bronnen
Related Posts
-
Hoeveel Voegmortel Ben Je Nodig per m² Metselwerk? Inzicht en Praktijkrichtlijnen
-
Voegmortel voor metselwerk in kleur: keuze, toepassing en eigenschappen
-
Uitbloeiingsarme Voegmortel voor Metselwerk: Eigenschappen, Toepassing en Keuzebeleid
-
Voegmortel voor metselwerk: Gids voor keuze, toepassing en samenstelling
-
Voegmortel in de kleur antraciet voor metselwerk: Eigenschappen, toepassing en levering
-
Voegmortel voor metselwerk: toepassing, verwerking en keuze van het juiste product
-
Voegloos metselwerk: de toekomst van moderne gevelafwerking
-
De invloed van voegkleuren op de uitstraling van metselwerk