Het behoud en herstel van historisch baksteenmetselwerk: richtlijnen voor schoon en authentiek metselwerk
Inleiding
Het historische baksteenmetselwerk van jarendertijden is een van de meest herkenbare en waardevolle bouwkundige kenmerken van Nederlandse woningen. Het afwerkingsniveau van jarendertighuizen is hoog, met een uitgesproken ambachtelijk karakter. Het metselwerk vertoont vaak sierlijke details, zoals uitkragende vormen, gekleurde stenen, ronde portieken en rijke profielering. De schoonheid en authenticiteit van dit soort metselwerk vormen een belangrijk onderdeel van de historische waarde van het gebouw.
Bij renovaties en restauraties van dergelijke constructies is het van essentieel belang om de oorspronkelijke materialen, technieken en ambachtelijke kwaliteiten te behouden. De toepassing van moderne, starre materialen of verkeerde restauratiemethoden kan leiden tot onherstelbare schade. Dit artikel biedt een overzicht van de richtlijnen, uitvoeringseisen en aanbevolen technieken voor het behoud en herstel van historisch baksteenmetselwerk, met een nadruk op schoon en origineel uitziend metselwerk.
Kenmerken van historisch baksteenmetselwerk
Historisch baksteenmetselwerk vertoont een aantal karakteristieken die van belang zijn bij restauratiewerkzaamheden. Het metselwerk is vaak poreus, zacht en elastisch, met een hoge vochtopname en een lagere uitzettingscoëfficiënt in vergelijking met moderne materialen. Deze eigenschappen maken het oude metselwerk gevoelig voor vervormingen en vochtproblemen, maar ook in staat om beperkte zettingen en lichte vervormingen te opnemen zonder het constructieve verband te verliezen.
1. Aanwezigheid van bouwsporen en detailwerken
Een typisch kenmerk van jarendertighuizen is het gebruik van uitkragende en gekleurde bakstenen, afwijkende metselverbanden (zoals staande of uitkragende stenen), en rijk uitgewerkte portieken. De gevels worden vaak verrijkt met profielstenen, bloembakken of glas-in-lood vensters. Een hoge plint, vaak gescheiden door een uitkragende gepleisterde band of geglazuurde profielstenen, is ook een veelvoorkomend kenmerk. Deze details dragen bij aan de unieke verschijningsvorm van het gebouw.
Bij restauraties dient het behoud van deze detailwerken en bouwsporen voorop te lopen. Het wegwerken van bouwsporen of het toevoegen van modern materiaal kan de historische waarde van het metselwerk aantasten.
2. Voegwerk en mortel
Het voegwerk speelt een centrale rol in het uiterlijk en de functionaliteit van baksteenmetselwerk. In historisch metselwerk is vaak sprake van een verdiepte of afgeschuinde voeg. De voegspecie is meestal van kalkmortel, die voldoet aan de NEN-EN 459-1. Het gebruik van cement in historisch metselwerk wordt niet aanbevolen, aangezien dit de porositeit en de elastische eigenschappen van het oude mortel kan verstoren.
Wanneer het voegwerk vernieuwd moet worden, is het van belang om een mortelsamenstelling te kiezen die past bij de oorspronkelijke materialen en eigenschappen. De samenstelling van de mortel is afhankelijk van de mate van blootstelling aan omgevingscondities en het type metselwerk. Het toepassen van hulpstoffen om het uitharden van de mortel te versnellen is niet toegestaan.
Richtlijnen voor het herstel en behoud van baksteenmetselwerk
Bij restauratieprojecten is het belangrijk om zowel de esthetische als de functionele kwaliteiten van het metselwerk te behouden. Hieronder worden een aantal richtlijnen en uitvoeringseisen besproken die van toepassing zijn op het herstel van historisch baksteenmetselwerk.
1. Behoud van de bestaande gevel
De monumentwaarde van een gevel ligt aan de basis van alle restauratiewerkzaamheden. Het uitgangspunt is dat het bestaande metselwerk zoveel mogelijk behouden moet blijven, zowel qua materialen als qua techniek. De uiterlijke kwaliteiten, zoals het metselverband, de patina, de textuur en het voegwerk, vormen een wezenlijk deel van de historische waarde van het gebouw.
Bij schade aan de gevel is het van belang om deze eerst goed te beschrijven en te documenteren. Vervolgens dient nagegaan te worden wat de oorzaak is van de schade en of er sprake is van vervolgschade. Herstel is alleen noodzakelijk wanneer de waterkerende functie van de gevel is verstoord of wanneer de constructieve sterkte van het gebouw in het geding is.
2. Herstel van schade op ambachtelijke manier
Schade aan het metselwerk dient op een ambachtelijke manier opgelost te worden. Het toepassen van moderne technieken of materialen kan leiden tot structurele problemen en een verlies van historische waarde. Bijvoorbeeld, het gebruik van portlandcement in oude metselwerk is niet aan te raden, omdat het een starre, niet elastische structuur creëert die niet compatibel is met het oorspronkelijke metselverband.
Een alternatief voor het herstellen van kleine scheuren is het gebruik van een minerale (historische) injectiemortel. Deze methode is geschikt om schade te herstellen zonder de oorspronkelijke structuur of voorkomst van het metselwerk aan te tasten.
3. Verwijdering van moderne toevoegingen
Tijdens restauraties dient aandacht te worden besteed aan moderne toevoegingen die mogelijk zijn aangebracht op of in het metselwerk. Voorzieningen zoals brievenbussen, intercomvoorzieningen en rolluiken zijn in beginsel niet toegestaan, aangezien ze de historische verschijningsvorm van het gebouw aantasten. Wanneer deze voorzieningen toch zijn aanwezig, dient nagegaan te worden of het mogelijk is om deze te verwijderen of op een reversibele manier te integreren.
Het aanbrengen van nieuwe gaten in de gevel is in beginsel niet toegestaan. Indien het noodzakelijk is om voorzieningen aan te brengen, dient gebruik gemaakt te worden van bestaande gaten of het aanbrengen van RVS lijmankers in de lintvoeg. Het aanbrengen van lijmankers is echter niet toegestaan wanneer de lintvoeg te smal is, zodat boren niet mogelijk is zonder de bakstenen aan te tasten.
4. Verwijdering van roest en corrosie
Bij historische constructies waarin gebruik is gemaakt van ijzer of staal, kan roestvorming optreden, met name in verbindingen waar water kan blijven staan. Het is aan te raden om deze verbindingen los te halen en te behandelen tegen roestvorming. Echter, indien de verbindingen nog goed functioneren en er geen sprake is van structurale aantasting, is het juist niet wenselijk om deze te veranderen.
Het behandelen van ijzeren of stalen onderdelen dient zo ver mogelijk in de fabriek te plaatsvinden. Daar kan het onderdeel worden schoon gestraald en vervolgens gerestaureerd met een duplex-systeem (schooping en nat afgelakt). Bij conservering op locatie dient de roest handmatig of mechanisch verwijderd te worden tot reinheidsgraad St3. Het is belangrijk om hierbij een kleurhistorisch onderzoek te laten uitvoeren, om te voorkomen dat de oorspronkelijke kleur of afwerking verloren gaat.
5. Verwijdering van moderne versterkingen
Het gebruik van epoxyharsen of stalen hulpconstructies dient beperkt te worden. Deze materialen hebben andere uitzettingscoëfficiënten dan hout of baksteen en kunnen spanningen veroorzaken in de constructie. Daarnaast aantasten ze de oorspronkelijke constructiemethode en kunnen ze de historische waarde van het gebouw negatief beïnvloeden.
Een uitzondering op deze regel is het gebruik van epoxyharsen bij het herstellen van balkkoppen, maar dan alleen tot maximaal 1/5de van de overspanning en maximaal 1,20 meter. In dat geval dient een constructieberekening aan te tonen dat de gerepareerde balk nog voldoende draagvermogen heeft.
Voorkomen van vochtproblemen
Vochtproblemen zijn een van de grootste risico’s voor historisch metselwerk. Oud metselwerk heeft namelijk een hoge vochtopname en is gevoelig voor zoutdepositie en condensatie. Hieronder worden enkele richtlijnen besproken om vochtproblemen te voorkomen.
1. Hydrofoberen is niet toegestaan
Het hydrofoberen van gevels is in beginsel niet toegestaan. Hydrofobe producten vormen een irreversibele laag die niet verwijderd kan worden zonder schade aan het metselwerk aan te richten. Bovendien kunnen deze producten vocht achter zich laten, wat kan leiden tot afschilfering van het metselwerk en eventueel schade door vorst.
2. Verwijdering van moderne verstevigers
Het toepassen van steenverstevigers is in beginsel niet toegestaan. Deze producten zijn irreversibel en kunnen de textuur van natuursteen volledig verliezen. Bovendien dient het product in verband met verwering ongeveer acht jaar later opnieuw aangebracht te worden, wat extra schade kan veroorzaken.
3. Ventilatie en luchtdoorlaat
Ventilatie speelt een cruciale rol bij het voorkomen van vochtproblemen. Bijvoorbeeld, balkkoppen in massieve muren dient een geventilerde oplegging te hebben. Ook dient aandacht te worden besteed aan de luchtdoorlaat in de constructie, zodat vocht kan ontsnappen en condensatie kan worden voorkomen.
Conclusie
Het behoud en herstel van historisch baksteenmetselwerk vereist een zorgvuldige aanpak die gebaseerd is op ambachtelijke technieken en het behoud van oorspronkelijke materialen en details. De richtlijnen die in dit artikel zijn besproken – zoals het gebruik van kalkmortel in plaats van cement, het vermijden van moderne verstevigers en het behoud van bouwsporen – zijn van essentieel belang om de historische waarde en het uiterlijk van het gebouw te behouden.
Bij restauraties dient aandacht te worden besteed aan zowel de esthetische als de functionele kwaliteiten van het metselwerk. Het is belangrijk om moderne materialen en technieken te vermijden, tenzij ze reversibel zijn en op een manier kunnen worden toegepast die de historische waarde van het gebouw niet aantast.
Een goed uitgevoerde restauratie van historisch metselwerk draagt niet alleen bij aan het behoud van de architectonische waarde van het gebouw, maar ook aan een duurzame toekomst voor Nederlandse woningen. Door de juiste technieken en materialen te kiezen, kan het schoon en authentieke karakter van historisch baksteenmetselwerk behouden blijven voor toekomstige generaties.
Bronnen
- Het geheim van het jarendertighuis
- Lokale regelgeving
- J.H.P. Heesters, Handboek Restauratieschilderen, februari 2000.
- W.F. Denslagen en A. de Vries, Kleur op historische gebouwen, de uitwendige afwerking met pleister en verf tussen 1200 en 1940.
- H. Janse, ‘Houten Kappen in Nederland 1000-1940’ in: Bouwtechniek in Nederland 2 (1989).
- Stichting Federatie Monumentenwacht Nederland, Inspectiehandboek HFDST 2.1.1. Kapconstructie - Hout.
- RDMZ, info Restauratie en beheer nr. 32, Instandhouding van smeedijzer in het exterieur, januari 2003.
- Monumentenwacht Vlaanderen vzw, Onderhoud van ijzerwerk, herwerkte 2de druk, december 2006.
- Uitvoeringsrichtlijn Restauratie Steenhouwwerk (URL 4007), versie 1.1, 2014.
- RDMZ, info Restauratie en beheer nr. 28, Natuursteen in Nederland, januari 2002.
- RDMZ, info Restauratie en beheer nr. 29, Verwering van natuursteen in het exterieur, januari 2002.
- RDMZ, info Restauratie en beheer nr. 30, Natuursteenkeuze: de steenkeuze in de restauratiepraktijk, maart 2002.
Related Posts
-
Kozijnen, metselwerk en DWG-bestanden in bouw- en renovatieprojecten
-
Kozijnen achter metselwerk: bouwkundige aansluitingen, negge en praktische toepassingen
-
Detail kalkzandsteen PIR en metselwerk in de bouwpraktijk
-
Kalkzandsteen met metselwerk: Voordelen, toepassingen en constructieve mogelijkheden
-
Hemelwaterafvoer in metselwerk: functie, aanduiding en toepassing in de bouw
-
Detail houtskelet met metselwerk: bouwtechniek, opbouw en aandachtspunten
-
Detailuitwerking van gevels met mossedak en staalconstructie: een bouwtechnisch overzicht
-
Funderingsconstructies met staal en beton: principes, toepassingen en uitvoering