CUR-Aanbeveling 61:2013 – Richtlijnen voor Voegen en Hydrofoberen van Metselwerk
Inleiding
Het voegen en hydrofoberen van metselwerk zijn essentiële onderdelen van zowel nieuwbouw als renovatiewerk. In 1998 verscheen de eerste versie van CUR-Aanbeveling 61, waarin richtlijnen werden gegeven voor het voegen van metselwerk. Gedurende de jaren daarna is er veel ervaring opgedaan, wat heeft geleid tot een herziening van deze aanbeveling. In 2013 verscheen de herziene versie van CUR-Aanbeveling 61, die niet alleen het voegen van metselwerk behandelde, maar ook richtlijnen bevatte voor het hydrofoberen van metselwerk. Deze nieuwe aanbeveling vervangt de oude versie van 1998 volledig.
CUR-Aanbeveling 61:2013 is van toepassing op voegwerk in metselwerk bij zowel nieuwbouw als renovatiewerk. Het document bevat richtlijnen over de samenstelling, levering en uitvoering van voegspecies, evenals richtlijnen voor de uitvoering en controle van het voegwerk. Daarnaast bevat het ook richtlijnen voor het hydrofoberen van metselwerk, een thema dat in de oude versie niet aan de orde was.
Deze artikel gaat dieper in op de inhoud van CUR-Aanbeveling 61:2013, met een focus op de richtlijnen voor voegen en hydrofoberen van metselwerk. We zullen ook aandacht besteden aan de uitvoeringsrichtlijnen en vermeldingen uit lokale regelgeving, zoals van toepassing op historisch metselwerk en monumentale gebouwen.
Historisch voegen en hydrofoberen
De herziening van CUR-Aanbeveling 61
CUR-Aanbeveling 61:2013 is een herziene versie van de aanbeveling die in 1998 is verschenen. De herziening is uitgevoerd om rekening te houden met de huidige stand van de techniek en de ervaringen die zijn opgedaan sinds de uitkomst van de eerste versie. De nieuwe aanbeveling is beschikbaar zowel online als op papier via www.cur-aanbevelingen.nl.
De herziene aanbeveling is niet alleen gericht op het voegen van metselwerk, maar bevat ook richtlijnen voor het hydrofoberen van metselwerk. Het hydrofoberen van metselwerk is een techniek die wordt toegepast om het metselwerk te beschermen tegen vocht en schade. In de oude aanbeveling werd dit niet behandeld, maar in de herziene versie is het onderdeel van de richtlijnen.
Toepassing in nieuwbouw en renovatie
CUR-Aanbeveling 61:2013 is van toepassing op voegwerk in metselwerk bij zowel nieuwbouw als renovatiewerk. De aanbeveling geeft richtlijnen voor de samenstelling, levering en vervaardiging van voegspecies. Ook worden eisen gesteld aan de uitvoering en controle van het voegwerk.
In de aanbeveling worden richtlijnen gegeven voor het gebruik van cement- of bastaardmortel bij het voegen van metselwerk. Het document bevat ook richtlijnen voor het hydrofoberen van metselwerk, waarbij aandacht wordt besteed aan de samenstelling van de hydrofobe producten en de manier waarop ze worden aangebracht.
Verloop van de oude aanbeveling
CUR-Aanbeveling 61:1998 is met de uitkomst van CUR-Aanbeveling 61:2013 volledig vervallen. De herziene aanbeveling bevat de meest actuele richtlijnen en voorwaarden voor het voegen en hydrofoberen van metselwerk. Het is belangrijk om bij renovatiewerk of nieuwbouw rekening te houden met deze aanbeveling, omdat zij de standaard vormt voor de uitvoering van voegwerk en hydrofobering.
Uitvoeringsrichtlijnen voor voegen in historisch metselwerk
Uitvoeringseisen voor voegen
Bij historisch metselwerk zijn er striktere uitvoeringsrichtlijnen dan bij nieuwbouw. In lokale regelgeving, zoals aangegeven in bronnen 2 en 3, zijn er specifieke eisen voor het verwijderen en aanbrengen van voegwerk. Deze richtlijnen zijn bedoeld om schade aan het historisch metselwerk te voorkomen.
Een lintvoeg dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een op lage toeren draaiende diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is alleen inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een lint- of stootvoeg smaller dan 3,0 mm mag niet worden verwijderd.
Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan. De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk. De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie. Indien er sprake is van een kalkmortel, moet de toe te passen schelpkalk voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan.
Aanwijzingen voor uitvoering
Het metselwerk moet zodanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de voegspecie optreedt. Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen. Het is niet mogelijk kalk- en trasvoegen aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden.
Proefstuk en toezicht
Bij renovaties van historisch metselwerk is het verplicht om een proefstuk te uitvoeren. Dit proefstuk dient op een onopvallende plaats te zitten, bijvoorbeeld hoog op de gevel. Het proefstuk wordt beoordeeld door de gemeente (monumentenzorg), zowel op het uithakken als op het voegen. Het proefstuk dient te worden uitgehakt en gevoegd door de medewerkers die de gehele gevel zullen gaan uithakken en voegen.
Voegverbreiding en voegdiepte
Voegverbreiding is niet toegestaan
Bij het uithakken of zagen van bestaand voegwerk mogen de voegen niet worden verbreed. Het zogenaamde ophakken van voegen is niet toegestaan. Dit is bedoeld om de oorspronkelijke structuur van het metselwerk te behouden.
De voegen dienen in verband met een goede hechting van de voegspecie zodanig te worden uitgehakt dat de voeg voldoende massa heeft. Als richtlijn kan worden aangehouden dat de verhouding van voegdikte staat tot de voegdiepte is als 1 staat tot 2.
Hydrofoberen van metselwerk
Richtlijnen voor hydrofoberen
Het hydrofoberen van metselwerk is in principe niet toegestaan, behalve in gevallen waarin het de enige manier is om een vochtprobleem op te lossen. In dat geval is vooraf een zoutonderzoek vereist. Bij een te hoge zoutbelasting is hydrofoberen nooit toegestaan.
Vergeet niet: damp-open producten
Voor de gevelafwerking moet een damp-open product worden gebruikt. Dit is van belang om de ademendheid van het metselwerk te behouden. Het gebruik van hydrofobe producten kan leiden tot opslag van zouten en vochtproblemen, wat schade kan veroorzaken aan het metselwerk.
Aanwijzingen voor het uitvoeren van hydrofoberen
Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen, bijvoorbeeld door niet in de volle zon te voegen en een droge gevel vooraf te besproeien. Het is niet mogelijk kalk- en trasvoegen aan te brengen tijdens vorst of wanneer (nacht)vorst is voorspeld.
Verificatie en controle
Controle op voegwerk
Na het uitvoeren van het voegwerk is het belangrijk om dit te controleren. De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie. Het voegwerk moet worden gecontroleerd op hechting, dichtheid en esthetische kwaliteit.
Toezicht door monumentenzorg
Bij renovaties van historisch metselwerk is het verplicht om de gemeente (monumentenzorg) te betrekken. De gemeente kan beoordelen of het voegwerk voldoet aan de eisen en of het in overeenstemming is met de historische waarde van het gebouw.
Metselen en inboeten van gevelmetselwerk
Inboeten van gevelmetselwerk
Het inboeten van gevelmetselwerk is een proces waarbij beschadigde of slecht functionerende metselstenen worden vervangen. Bij het inboeten van gevelmetselwerk voor meer dan 15% is een vergunning verplicht. Voor minder dan 15% is dit niet nodig.
Uitvoeringsrichtlijnen voor inboeten
Bestaand metselwerk dient behouden te worden. Metselwerk mag pas vervangen worden als de onderlinge samenhang en scheurvorming herstel verhinderen. Bij het inboeten van gevelmetselwerk dient rekening te worden gehouden met de oorspronkelijke samenstelling en afwerking van het metselwerk.
Toevoegingen aan gevels
Richtlijnen voor toevoegingen
Toevoegingen aan gevels moeten steeds tot een minimum worden beperkt. Monumentale bijzondere onderdelen mogen niet aan het oog worden onttrokken. Het aanbrengen van reclames en zonweringen is vergunningsplichtig. Kleine toevoegingen, zoals lampen, camera’s en losse brievenkasten, zijn vergunningsvrij.
Uitvoeringsrichtlijnen voor toevoegingen
Aan te brengen reclames moeten voldoen aan de gemeentelijke beleidsnota 'Oog voor reclame'. Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc., mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. Een uitzondering vormen natuurstenen elementen waarin een speciale voorziening is aangebracht voor het ophangen van buitenlampen.
Alle voorzieningen dienen te worden bevestigd met RVS bevestigingsmateriaal en kunststof pluggen. De gaten in de voegen worden geboord, zodat beschadiging van het metselwerk als geheel zo veel mogelijk wordt vermeden. Na het t.z.t. verwijderen van de voorziening kunnen de gaten met op kleur gebrachte compound worden hersteld.
De voedingskabel van elektra dient direct achter de voorziening door de gevel te worden gebracht, waarbij het doorvoergat eveneens door de steen zelf moet worden gemaakt.
Metaalwerk in metselwerk
Uitgangspunten
Koper, lood en zink moeten bij restauraties op dezelfde wijze worden toegepast als in de bestaande situatie. Traditionele bevestigingsmethoden moeten worden gebruikt om de historische waarde van het gebouw te behouden.
Uitvoeringseisen
Het toe te passen zink is minimaal Zink 16 (1,1 mm) en koper minimaal 0,8 mm. Lood moet volgens de richtlijnen van de SIBL worden aangebracht; op loden nokken moet minimaal 25 ponds lood worden toegepast. Een platte kraal mag niet worden vervangen door een ronde kraal. Metaalwerk mag niet worden gelijmd. Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren moet hetzelfde materiaal worden toegepast als aangetroffen is, met uitzondering van kunststof dat bij vervanging niet is toegestaan.
Het dilateren van goten moet gebeuren door middel van een broekstuk. Indien een goot geen enkele monumentale waarde vertegenwoordigt, kan in overleg met de afdeling ROBM een expansiestuk toegepast worden.
Aanwijzingen
Alleen als de aangetroffen vergaarbak aantoonbaar ouder dan 50 jaar is, mag een soortgelijk model worden toegepast. Bij panden van vóór 1900 moeten regenpijpen door middel van een stripbeugel worden bevestigd, waarbij de lengte van de oren gelijk moet zijn aan de diameter van de buis. In overleg met de afdeling ROBM kan zink eventueel door lood of koper worden vervangen.
Conclusie
CUR-Aanbeveling 61:2013 is een essentieel document voor de uitvoering van voegwerk en hydrofobering in metselwerk. De aanbeveling bevat uitgebreide richtlijnen voor de samenstelling, levering, uitvoering en controle van voegspecies. Daarnaast bevat het ook richtlijnen voor het hydrofoberen van metselwerk, een thema dat in de oude versie niet aan de orde was.
Bij historisch metselwerk zijn er striktere eisen en richtlijnen, zoals beschreven in de lokale regelgeving. Het is belangrijk om deze richtlijnen te volgen om schade aan het metselwerk te voorkomen en de historische waarde van het gebouw te behouden.
Het inboeten van gevelmetselwerk en het aanbrengen van toevoegingen aan gevels vereisen ook aandacht voor de richtlijnen en verificatie door monumentenzorg. Bij metaalwerk in metselwerk is het gebruik van traditionele bevestigingsmethoden en het behouden van de oorspronkelijke samenstelling belangrijk.
In het kader van renovatiewerk en nieuwbouw is het verstandig om CUR-Aanbeveling 61:2013 te raadplegen en te volgen om de kwaliteit en duurzaamheid van het metselwerk te waarborgen.
Bronnen
Related Posts
-
Graffiti Verwijderen van Metselwerk: Uitleg, Methoden en Advies
-
Graffiti van metselwerk verwijderen: Effectieve methoden en veiligheid
-
Metselwerken en bouwactiviteiten in Goudzwaard: Een overzicht van lokaal bedrijven en diensten
-
Metselwerk en restauratie in Goudswaard: een expertvisie op techniek, historie en uitvoering
-
Goed Functionerende Goten op Metselwerk: Constructieve en Technische Aanbevelingen
-
Goedkope stucwerkopties: Kwaliteitsvolle afwerking tegen een betaalbare prijs
-
Glooiend en golvend metselwerk: architectonische pracht en duurzame uitstraling in de Nederlandse bouwkunst
-
Technische Eischen en Herstelmethoden voor Dragend Muurwerk in Renovatieprojecten