Lintvoeg in metselwerk: Technieken, richtlijnen en toepassingen

Het metselen van muren is een essentieel onderdeel van elke bouw- of renovatiewerkzaamheid. Een belangrijk aspect van metselwerk is de lintvoeg, een horizontale voeg tussen metselstenen of blokken. De dikte van deze voeg speelt een cruciale rol bij het bepalen van de wandhoogte, het verwerken van maatspreiding, en het uiterlijk van het metselwerk. Daarnaast zijn er specifieke richtlijnen voor het verwijderen, aanbrengen en afwerken van lintvoegen, vooral in historisch of traditioneel metselwerk. In dit artikel worden de technieken, maatvoeringen, en uitvoeringseisen van lintvoegen in het metselwerk besproken, afgestemd op de richtlijnen en aanbevelingen van professionele metselbedrijven en bouwautoriteiten.

Wat is een lintvoeg?

Een lintvoeg is de horizontale voeg tussen metselstenen of -blokken in een wand. Deze voeg vult de ruimte tussen de onder- en bovenkant van de stenen of blokken. De dikte van de lintvoeg kan variëren afhankelijk van de maat van de gebruikte metselstenen, de gewenste wandhoogte, en de maatspreiding in de stenen. In de praktijk wordt vaak uitgegaan van een standaard dikte van ongeveer 12 mm, maar deze kan worden aangepast om de gewenste constructiehoogte of esthetiek te bereiken.

Lintvoegen dienen niet alleen een technische functie, maar ook esthetische. Ze zorgen voor een visuele regelmaat in het metselwerk en kunnen het uiterlijk van een muur sterk beïnvloeden. Daarom is het belangrijk om de dikte en afwerking van lintvoegen zorgvuldig te bepalen en uit te voeren.

Maatvoering en variatie van lintvoegdikte

De maatvoering van het metselwerk speelt een centrale rol bij het bepalen van de lintvoegdikte. In veel gevallen is het noodzakelijk om de dikte van de lintvoeg aan te passen om de gewenste wandhoogte te behalen, vooral bij afwijkende verdiepingshoogtes of bij het gebruik van metselstenen met kleine maatspreiding.

Volgens de richtlijnen van Wienerberger is het aan te bevelen om in basis uit te gaan van een lintvoegdikte van ongeveer 12 mm, maar in sommige gevallen kan deze dikte worden aangepast tot een minimum van 7 of 8 mm. Bij het metselen van Porotherm metselblokken, die zijn gekalibreerd op een hoogte van 249 mm, wordt vaak uitgegaan van een lintvoegdikte van 4 mm, afgestemd op de bijpassende Poriso lichtgewicht lijmmortel.

Het is echter belangrijk om rekening te houden met de maattolerantie van de gebruikte metselstenen. Aangezien bakstenen tijdens het bakproces ongeveer 8% krimpen en er maatafwijkingen kunnen zijn, kunnen deze afwijkingen invloed hebben op de regelmaat van het metselverband. Daarom wordt aangeraden om bij de lagenmaatverdeling minstens 10 blokken naast elkaar te leggen en de gemiddelde hoogte te bepalen voordat het metselwerk begint.

Uitvoeringseisen voor lintvoegen

Het uitvoeren van lintvoegen moet nauwlettend worden gedaan, vooral bij historisch of traditioneel metselwerk. De regels en aanbevelingen voor lintvoegen zijn afhankelijk van de staat van het bestaande metselwerk, de gebruikte materialen, en de gewenste afwerking. Voor traditioneel metselwerk zijn er een aantal specifieke richtlijnen:

  • Verwijderen van lintvoegen: Indien het nodig is om een lintvoeg te verwijderen, dient dit te gebeuren met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk. Een lintvoeg kan eerst met een diamantzaag worden ingezagd tot de gewenste uithakdiepte en daarna met een naaldbeitel handmatig worden verwijderd. Stootvoegen smaller dan 1,5 mm mogen niet worden verwijderd.

  • Voegmortel: De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de bestaande metselsteen of blok. Indien er sprake is van een kalkmortel, dient de toe te passen schelpkalk voldoen aan de norm NEN 9031. Het gebruik van steenkalk en hulpstoffen is niet toegestaan.

  • Afwerking: De afwerking van de lintvoeg moet identiek zijn aan de bestaande situatie. Dit betekent dat de vorm, dikte en texturen van de voeg gelijk moeten zijn aan die van het oorspronkelijke metselwerk.

  • Bevochtiging en uitdrogen: Het metselwerk en de in te brengen stenen moeten zodanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de voegmortel optreedt. Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen, bijvoorbeeld door het afdekken met een plastic folie of een natte doek.

Lintvoegdikte en metselverbanden

Het metselverband bepaalt ook het gebruik en de dikte van lintvoegen. In de praktijk zijn er verschillende metselverbanden mogelijk, zoals strekverband, halfsteensverband, wildverband, en klezorenverband. Elk verband heeft zijn eigen maatvoering en richtlijnen voor lintvoegen.

In het strekverband is de maatvoering van het metselwerk gebaseerd op de koppenmaat (breedte van de steen + voeg). Voor muuropeningen wordt de maatvoering vaak genoteerd als: t n x koppenmaat + voeg. In het geval van een muurdam of wand is de maatvoering meestal: n x koppenmaat - voeg. Bij inwendige hoeken geldt dat de lengtemaat altijd n x koppenmaat is.

Voor halfsteensverband en wildverband gelden vergelijkbare maatvoeringen. In het klezorenverband, een verband dat vaak in historische gebouwen wordt toegepast, zijn er extra richtlijnen. Elke laag moet vanaf een hoek of beëindiging beginnen met een drieklezoor of een kop, maar nooit met een strek. Bovendien mag in één metselwerklaag nooit meer dan één drieklezoor worden gebruikt. Als een laag begint met een drieklezoor, moet de laag eindigen met een kop.

Het is dus belangrijk om bij het kiezen van een metselverband rekening te houden met de maatvoering en het gebruik van lintvoegen. Deze keuzes bepalen de uiteindelijke regelmaat en esthetiek van het metselwerk.

Praktische toepassing bij metselwerk

Bij het metselen van nieuwe wanden of het herstellen van bestaand metselwerk is het belangrijk om de lintvoegdikte nauwkeurig te bepalen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door eerst een aantal steenproeven te doen of door de maatvoering uit te zetten op het ontwerpplan.

Een handige methode is om minstens 20 bakstenen uit de geleverde partij te gebruiken om de koppenmaat te bepalen. Neem 10 bakstenen en leg deze als strekken achter elkaar. Vervolgens leg je 20 koppen haaks tegen de strekken aan. De restmaat zijn 10 stootvoegen. Deze methode helpt bij het bepalen van de juiste voegdikte en voorkomt onregelmatigheden in het metselwerk.

Bij het metselen van Porotherm metselblokken is het aan te bevelen om uit te gaan van een lintvoegdikte van ca. 4 mm, aangevuld met de Poriso lichtgewicht lijmmortel. Deze combinatie zorgt voor een regelmatig en stevig metselwerk zonder overmatige voegdikte.

Reparatie en inboeting van lintvoegen

In sommige gevallen is het nodig om lintvoegen te herstellen of in te boeten, bijvoorbeeld bij schade aan het metselwerk of bij het herstellen van een historische muur. In dergelijke gevallen gelden specifieke richtlijnen:

  • Inboeten van stenen: De in te boeten stenen moeten qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. De fysische eigenschappen van de inboeting zijn belangrijker dan de kleur. De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt als in de bestaande situatie.

  • Voegmortel voor inboeting: De mortel moet qua samenstelling en hardheid aangepast zijn aan het bestaande metselwerk. In het geval van een kalkmortel dient schelpkalk van conformiteit met NEN 9031 te worden gebruikt. Het gebruik van cement en hulpstoffen is niet toegestaan.

  • Scheuren en schade: Scheuren in het metselwerk moeten niet dichtgesmeerd worden, maar moeten worden ingeboet zodat de muur een constructief geheel blijft. Inboetwerk dat niet is aangepast aan het bestaande metselwerk kan chemische reacties veroorzaken die schade veroorzaken.

  • IJzeren elementen: IJzeren elementen in de gevel moeten worden ontroest en eventueel verwijderd als ze geen functie of decoratieve waarde meer hebben.

Het herstellen van lintvoegen in bestaand metselwerk vereist dus zorgvuldig afwegen van de technische, esthetische en historische aspecten. Het is aan te raden om dit werkzaamheden uit te voeren door een ervaren metselaar of restaurateur die ervaring heeft met historische bouwmaterialen en technieken.

Specifieke richtlijnen voor lintvoegen in historisch metselwerk

Bij het restaureren of herstellen van historisch metselwerk zijn er extra richtlijnen voor lintvoegen. Deze richtlijnen zijn vaak opgenomen in de lokale regelgeving en bouwnormen. Een aantal belangrijke richtlijnen zijn:

  • Geen gebruik van slijptol: Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan, omdat dit schade kan toebrengen aan het metselwerk.

  • Niet aanbrengen van kalk- en trasvoegen in vorstperiode: Het aanbrengen van kalk- en trasvoegen is niet mogelijk in een periode waarin vorst kan optreden, omdat dit negatief kan werken op de hardheid en het hechtvermogen van de mortel.

  • NEN-normen: Mengverhoudingen van mortel moeten, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metselwerk, volgens NEN 3835 zijn. In het geval van kalkmortel moet schelpkalk voldoen aan NEN 9031.

  • Verwijderen van voegen: Het verwijderen van voegen dient met zorg te gebeuren. Een lintvoeg kan eerst met een diamantzaag worden ingezagd tot de gewenste uithakdiepte en daarna handmatig worden verwijderd met een naaldbeitel.

  • Afwerking van voegen: De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie. Dit betekent dat de vorm, dikte en texturen van de voeg gelijk moeten zijn aan die van het oorspronkelijke metselwerk.

Samenvatting van de richtlijnen

De richtlijnen voor lintvoegen in metselwerk zijn afhankelijk van het type metselwerk, de gebruikte materialen, en de gewenste functie of esthetiek. Een overzicht van de belangrijkste richtlijnen is als volgt:

Aspect Richtlijn
Lintvoegdikte Basis: ca. 12 mm; minimum: 7-8 mm
Maatvoering Aan te passen aan de gekozen metselsteen; gebruik van koppenmaat
Verwijderen van lintvoegen Gebruik van diamantzaag en naaldbeitel; geen gebruik van slijptol
Aanbrengen van voegmortel Aanpassing aan bestaande metselsteen; geen cement of hulpstoffen
Afwerking van voegen Identiek aan bestaande situatie
Bevochtiging van stenen Zorgvuldig bevochtigen om wateronttrekking te voorkomen
Uitdrogen van voegmortel Afdekken met plastic of natte doek
Inboeten van stenen Aansluitend qua hardheid, formaat, kleur en textuur
Scheuren Niet dichtsmeren, maar inboeten
Ijzeren elementen Ontroesten en eventueel verwijderen
Vorstperiode Geen aanbrengen van kalk- en trasvoegen
NEN-normen Mengverhoudingen volgens NEN 3835; schelpkalk conform NEN 9031

Conclusie

De lintvoeg speelt een essentiële rol in het metselwerk, zowel vanuit een technische als esthetische invalshoek. De dikte van de lintvoeg bepaalt niet alleen de wandhoogte, maar ook de regelmaat en het uiterlijk van het metselwerk. Het aanbrengen, verwijderen en afwerken van lintvoegen moet worden uitgevoerd met zorgvuldigheid, zeker bij historisch of traditioneel metselwerk. Richtlijnen zoals die van Wienerberger, de NEN-normen en lokale regelgeving bieden een duidelijk kader voor het uitvoeren van deze werkzaamheden. Door deze richtlijnen te volgen, is het mogelijk om stevige, duurzame en esthetisch aantrekkelijke metselwerken te realiseren.

Bronnen

  1. Lokale regelgeving voor metselwerk
  2. Wienerberger – Informatie over lintvoegen
  3. Wienerberger – Maatvoering van metselwerk
  4. Baksteenformaten en maattoleranties

Related Posts