Inleiding
Aërogene isolatie is een maatregel die wordt genomen in medische instellingen om de verspreiding van ziekteverwekkende micro-organismen via de lucht te beheersen. Deze isolatievorm wordt toegepast bij patiënten met ziekten die via aërosoles (kleine druppeltjes in de lucht) kunnen worden overgedragen, zoals bepaalde virussen of bacteriën. Het vervoer van patiënten in aerogene isolatie is een belangrijk onderdeel van deze maatregel, aangezien ook tijdens verplaatsingen binnen of buiten een ziekenhuis het risico op verspreiding van infectie bestaat.
In dit artikel wordt ingegaan op de richtlijnen, aanbevelingen en praktische maatregelen rondom het vervoer van patiënten in aerogene isolatie. De informatie is gebaseerd op de meest actuele en betrouwbare bronnen, waaronder richtlijnen van ziekenhuizen, infectiepreventie-experts en nationale houders van hygiëne-protocollen.
Aërogene isolatie: doel en toepassing
Aërogene isolatie wordt toegepast wanneer patiënten geïnfecteerd zijn met micro-organismen die via de lucht kunnen worden verspreid. Voorbeelden zijn virussen zoals het varicella-zoster-virus (waterpokken) of tuberculosebacteriën. Deze ziekten kunnen infectie veroorzaken bij andere patiënten, medewerkers of bezoekers die blootgesteld raken aan de aërosoles die door de patiënt worden uitgestoten.
Het doel van aërogene isolatie is om de verspreiding van ziekteverwekkers te minimaliseren. Daartoe wordt gebruikgemaakt van een gespecialiseerde kamer die voldoet aan bepaalde ventilatie- en drukvoorschriften. Deze kamer is meestal een eenpersoonskamer met een sluis, waarin de lucht uit de kamer wordt gefilterd of afgevoerd.
Bij het vervoer van een patiënt in aërogene isolatie is het van belang dat zowel de patiënt als de betrokken medewerkers zich houden aan de geldende hygiëne- en veiligheidsmaatregelen. Het vervoer kan binnen de medische instelling plaatsvinden (bijvoorbeeld naar een onderzoekafdeling) of kan zelfs buiten de instelling (bijvoorbeeld naar een andere ziekenhuizen of woonzorgcentrum) gaan.
Vervoer van patiënten in aerogene isolatie
Algemene richtlijnen
Tijdens het vervoer van een patiënt in aërogene isolatie gelden drie belangrijke richtlijnen:
De patiënt draagt een FFP2-masker zonder ventiel.
Dit maakt het mogelijk om een veilige luchtwegbehandeling te garanderen en tegelijkertijd de verspreiding van infectie te beperken. Het masker moet goed passen en niet loszitten.Medewerkers betrokken bij het vervoer gebruiken adembescherming.
Ziekenhuismedewerkers die de patiënt verzorgen of verplaatsen, moeten een FFP2-masker dragen. Dit masker is van essentieel belang om zowel de patiënt als de medewerker te beschermen tegen eventuele infectieoverdracht.De patiënt blijft zoveel mogelijk op de isolatiekamer.
Het vervoer naar andere afdelingen of buiten de medische instelling moet enkel plaatsvinden indien noodzakelijk, bijvoorbeeld voor medische onderzoeken of behandelingen.
Aanvullende maatregelen bij vervoer
Bij het vervoer van patiënten in aërogene isolatie worden ook een aantal aanvullende maatregelen aanbevolen:
Handhygiëne.
Zowel de patiënt als de betrokken medewerkers moeten handhygiëne toepassen voordat en na contact met eventuele oppervlakken. Dit betreft het wassen en eventueel desinfecteren van de handen met alcoholische oplossingen.Sluiten van de kamer.
Indien de patiënt tijdelijk de kamer verlaat, wordt de kamer gesloten om eventuele luchtuitstoot te beperken. De isolatiekamer moet ook voorzien zijn van een ventilatiesysteem dat voldoet aan de eisen voor aerogene isolatie.Bezoekers.
Indien de patiënt in aërogene isolatie tijdelijk verlaat om bijvoorbeeld bezoek te ontvangen, moeten bezoekers ook een FFP2-masker dragen. Zij mogen de kamer pas betreden na instructie en moeten dit masker afdoen na het vertrek.
Mobilisatie en vervoer binnen de instelling
Wanneer de patiënt in aërogene isolatie zich tijdelijk buiten de kamer moet bevinden (bijvoorbeeld voor revalidatie of fysiotherapie), geldt de volgende aanpak:
Masker gedragen door de patiënt.
De patiënt draagt gedurende het verblijf buiten de kamer een FFP2-masker zonder ventiel. Dit masker moet steeds correct worden aangebracht en gedragen.Geen PBM voor medewerkers.
Medewerkers die betrokken zijn bij het mobiliseren of verplaatsen van de patiënt, hoeven geen persoonlijke beschermende uitrusting (PBM) zoals een volledige beschermende overalls te dragen. Wel moet een adembeschermingsmasker worden gedragen.Instructies aan de patiënt.
De patiënt moet op de hoogte worden gehouden van de maatregelen en instructies. Het is van belang dat de patiënt samenwerkt bij het dragen van het masker en zich houdt aan de hygiënevoorschriften.
Vervoer buiten de medische instelling
In sommige gevallen is het noodzakelijk om een patiënt in aërogene isolatie te verplaatsen naar een andere locatie, zoals een andere zorginstelling of een woonzorgcentrum. In dat geval gelden extra maatregelen:
Verantwoordelijkheid van zorgverlener.
De instelling waarin de patiënt verbleef is verantwoordelijk voor het opstellen van een vervoersplan, inclusief de benodigde hygiëne- en veiligheidsmaatregelen.Coördinatie met de instelling van bestemming.
De instelling waar de patiënt terecht komt moet vooraf worden geïnformeerd over de aërogene isolatie. De instelling moet de nodige voorzieningen kunnen treffen, zoals een geschikte kamer met ventilatie.Transportvoertuig.
Het transportvoertuig dat wordt gebruikt voor het vervoer moet zo zijn ingericht dat de patiënt kan blijven zitten met het masker op en dat er geen luchtverstoring optreedt die kan leiden tot verspreiding van aërosoles.Beveiliging tijdens vervoer.
Tijdens het vervoer moet de patiënt zich gedragen zoals in de isolatiekamer, met name het dragen van het masker en het voorkomen van hoesten of niezen in de open ruimte van het voertuig.
Hygiëne- en reinigingsmaatregelen bij vervoer
Tijdens en na het vervoer van een patiënt in aërogene isolatie is het belangrijk om reinigings- en desinfectieprotocollen aan te houden. Deze maatregelen zijn van toepassing op zowel de patiëntkamer als de voertuigen die gebruikt worden voor het vervoer.
Dagelijkse reiniging
Isolatiekamer.
De dagelijkse reiniging van de isolatiekamer is voldoende. Dit betreft het reinigen van meest gebruikte oppervlakken, sanitair en andere contactpunten.Ventilatie.
Het ventilatiesysteem in de isolatiekamer moet voldoen aan de eisen voor aërogene isolatie. Dit is van belang om ervoor te zorgen dat luchtverstoring beperkt wordt en de verspreiding van aërosoles beheerst kan worden.
Einreiniging
Na het vervoer of ontslag van de patiënt.
Een eindreiniging is nodig wanneer de patiënt uit de isolatiekamer verloopt of tijdelijk verplaatst is. Deze reiniging moet gericht zijn op oppervlakken die veel contact hebben met de patiënt of medewerkers.Speciale aandacht voor oppervlakken.
Oppervlakken zoals deurklinken, toiletten, en andere contactpunten moeten extra aandacht krijgen. Deze oppervlakken worden bij voorkeur gedesinfecteerd.Afvalbehandeling.
Afval dat bij de patiënt is gebruikt, zoals linnengoed of medische uitrusting, dient in gesloten zakken te worden afgevoerd. Dit geldt ook voor eventueel medisch afval dat tijdens het vervoer is gegenereerd.
Communicatie en instructies
Het vervoer van een patiënt in aërogene isolatie vereist duidelijke communicatie en instructies zowel aan de patiënt als aan medewerkers en eventueel betrokken bezoekers.
Voor de patiënt
Uitleg over maatregelen.
De patiënt moet uitleg krijgen over waarom aërogene isolatie is geïndiceerd en wat de maatregelen inhouden. Dit omvat onder meer het dragen van het FFP2-masker tijdens het vervoer.Instructie over gedrag.
De patiënt moet worden geïnstrueerd hoe hij of zij zich gedraagt tijdens het vervoer. Dit omvat het voorkomen van hoesten of niezen in open ruimte, het handwassen en het gebruik van handdesinfectant.Psychologische ondersteuning.
Aërogene isolatie kan voor patiënten zwaar zijn, zowel fysiek als psychologisch. Het vervoer kan een extra belasting vormen. Het is daarom belangrijk om psychologische ondersteuning aan te bieden, eventueel via een psycholoog of verpleegkundige.
Voor medewerkers
Opleiding en training.
Ziekenhuismedewerkers die betrokken zijn bij het vervoer moeten getraind zijn in de aanbevolen maatregelen. Dit betreft zowel het gebruik van adembescherming als het omgaan met de patiënt.Informatie over de patiënt.
Medewerkers moeten vooraf worden geïnformeerd over de aërogene isolatie, de eventuele ziekteverwekker en de maatregelen die genomen zijn.Coördinatie met de afdeling.
Het vervoer moet worden gepland en georganiseerd in overleg met de verantwoordelijke afdeling, zowel van de oorsprong als van de bestemming. Dit voorkomt onnodige vertragingen en zorgt voor veilig vervoer.
Samenwerking met externe partijen
Bij het vervoer van een patiënt naar een externe locatie (zoals een andere ziekenhuis of woonzorgcentrum) is het belangrijk om samen te werken met externe partijen. Deze partijen zijn verantwoordelijk voor het aanbieden van de nodige voorzieningen, zoals een geschikte kamer en een veilige vervoersorganisatie.
Voorbereiding
Vervoersplan.
Een vervoersplan moet worden opgesteld, waarin duidelijk is gesteld wie verantwoordelijk is voor welk aspect van het vervoer. Dit omvat zowel het transport als de opvang van de patiënt bij aankomst.Hygiëneprotocollen.
De externe instelling moet op de hoogte zijn van de aërogene isolatie en moet voorzieningen kunnen maken die voldoen aan de hygiënevoorschriften. Dit betreft onder meer een isolatiekamer met juiste ventilatie en beschermende maatregelen.Communicatie.
Een duidelijke lijn van communicatie moet worden aangehouden tussen de instellingen. Dit omvat zowel medische instructies als informatie over de eventuele risico’s.
Na het vervoer
Evaluatie.
Na het vervoer is het aan te raden om een evaluatie te doen van het vervoerproces. Dit kan helpen om eventuele problemen te detecteren en verbeteringen aan te brengen voor toekomstige gevallen.Documentatie.
Het vervoerproces moet worden gedocumenteerd. Dit omvat informatie over de maatregelen genomen, de betrokken personen en eventuele incidenten. De documentatie is van belang voor medische en juridische doeleinden.
Samenwerking met patiënten en verzorgers
De samenwerking met patiënten en eventuele verzorgers is van belang bij aërogene isolatie en vervoer. Deze personen hebben vaak een belangrijke rol bij het beheren van de maatregelen en het naleven van de hygiënevoorschriften.
Patiëntparticipatie
Informatie en uitleg.
De patiënt moet uitleg krijgen over de aërogene isolatie en de maatregelen die genomen zijn. Dit betreft zowel het medische aspect als het praktische aspect van het vervoer.Invloed op beslissingen.
De patiënt mag een rol spelen in de beslissingen rondom zijn of haar zorg. Dit omvat onder meer de beslissing om te vervoeren naar een andere locatie of om bezoek te ontvangen.
Rol van de verzorger
Ondersteuning.
De verzorger kan de patiënt ondersteunen bij het naleven van de maatregelen. Dit betreft onder meer het dragen van het masker en het handwassen.Informatiegever.
De verzorger kan ook dienen als informatiegever voor medewerkers en eventuele bezoekers. Dit kan helpen om de maatregelen te verduidelijken en het risico op verspreiding van infectie te beheersen.
Conclusie
Aërogene isolatie en vervoer van patiënten in deze isolatievorm vereisen een goed doordachte aanpak, waarbij zowel medische als hygiënische maatregelen centraal staan. Het vervoer moet alleen plaatsvinden indien noodzakelijk en dan met strikte naleving van de richtlijnen. De patiënt draagt een FFP2-masker, medewerkers gebruiken adembescherming en de kamer wordt gesloten of voorzien van een ventilatiesysteem. Reinigings- en desinfectieprotocollen zijn van toepassing op zowel de kamer als eventuele transportvoertuigen. Communicatie en instructies zijn van belang voor zowel de patiënt als de medewerkers. De samenwerking met externe partijen en eventuele verzorgers helpt om de maatregelen effectief te beheren. Aërogene isolatie is een maatregel die essentieel is om de verspreiding van infectie te voorkomen, maar moet worden afgewogen tegen het welzijn en het behoud van de menselijke waardigheid van de patiënt.