Inleiding
De bestrijding van resistente bacteriën, zoals ESBL-producerende Escherichia coli (ESBL-E. coli), is een constante uitdaging binnen de ziekenhuisomgeving. Een specifiek aandachtspunt hierbij is de vraag of intensieve maatregelen, zoals de zogenaamde 'einddesinfectie' van een patiëntenkamer, daadwerkelijk bijdragen aan het verminderen van de transmissie van dit specifieke micro-organisme. In de context van infectiepreventie draait het om het vinden van de balans tussen effectieve maatregelen en de uitvoerbaarheid in de dagelijkse zorgpraktijk.
De onderhavige tekst analyseert de huidige stand van zaken rondom de noodzaak van terminal desinfectie voor ESBL-E. coli positieve patiënten. Centraal hierbij staat de vraag of er voldoende wetenschappelijk bewijs is om deze intensieve handeling te continueren, met name in meerpersoonskamers, of dat dit mogelijk tot de-implementatie kan leiden. Daarnaast wordt er gekeken naar de bredere context van isolatiemaatregelen en de praktische uitvoering hiervan in de ziekenhuissetting. Hoewel de beschikbare data primair afkomstig is van richtlijnen en wetenschappelijke literatuur gericht op de medische sector, biedt de analyse van deze processen inzichten die relevant zijn voor het begrijpen van infectiepreventie in gebouwde omgevingen.
Het Belang van Terminal Desinfectie bij Resistente Bacteriën
Terminal desinfectie, oftewel einddesinfectie, is een grondige schoonmaak en desinfectie van een patiëntenkamer na het ontslag, de overplaatsing of het overlijden van een patiënt. Dit proces is van cruciaal belang om de verspreiding van micro-organismen te voorkomen. In de strijd tegen ESBL-E. coli, een bacterie die resistent is tegen een breed scala aan antibiotica, is de vraag gesteld of deze maatregel specifiek voor dit organisme noodzakelijk is.
Achtergrond en Uitdagingen
Volgens het huidige beleid vindt er standaard einddesinfectie plaats van de patiëntenkamer na vertrek van een ESBL-E. coli-positieve patiënt. Echter, de uitvoering van deze maatregel kent praktische belemmeringen. Einddesinfectie is een intensieve handeling die, zeker in tijden van personeelstekort en hoge doorloop, kan leiden tot vertragingen bij het opnemen van nieuwe patiënten. Bovendien vindt deze desinfectie in het geval van meerpersoonskamers vaak plaats in directe aanwezigheid van andere patiënten, wat de logistiek bemoeilijkt.
De centrale onderzoeksvraag die hieruit voortvloeit, luidt als volgt: is terminal desinfectie van de gehele patiëntenkamer na vertrek van een ESBL-E. coli-positieve patiënt voldoende om transmissie van dit micro-organisme te voorkomen? Het alternatief is een minder intensieve aanpak, zoals gedeeltelijke desinfectie (sanitatie) van de directe patiëntomgeving.
Doelstellingen van Desinfectie
De primaire doelstelling van terminal desinfectie is het voorkomen van transmissie naar volgende patiënten. Specifiek gaat het hierbij om: 1. Directe transmissie: Overdracht van ESBL-E. coli naar kamergenoten tijdens het verblijf van de besmette patiënt, of naar patiënten die dezelfde kamer betrekken na diens vertrek. 2. Indirecte transmissie via de omgeving: Het aantreffen van identieke ESBL-E. coli isolaten in de kamer na desinfectie, wat duidt op persistente contaminatie van oppervlakken.
Analyse van Wetenschappelijk Bewijs
Om een onderbouwde keuze te maken over de implementatie of de-implementatie van terminal desinfectie, is een systematische literatuurreview uitgevoerd. De vraag was of er bewijs is dat minder intensieve desinfectie (geen of gedeeltelijke desinfectie) niet inferieur is aan volledige terminal desinfectie wat betreft het voorkomen van transmissie.
Methoden en Selectiecriteria
Er werd gezocht in databases zoals Medline, Embase, Web of Science en Cinahl. De zoekopdracht werd uitgevoerd tot 22 augustus 2022. De selectiecriteria waren streng: alleen systematische reviews, gerandomiseerde gecontroleerde trials (RCT's) en comparatieve observationele studies die antwoord gaven op de onderzoeksvraag kwamen in aanmerking.
Resultaten van het Onderzoek
Het meest opvallende resultaat van deze zoektocht was dat geen enkele studie voldeed aan de gestelde selectiecriteria. Er was dus geen direct wetenschappelijk bewijs beschikbaar dat de effectiviteit van terminal desinfectie voor ESBL-E. coli specifiek onderbouwde of ontkrachtte.
Dit gebrek aan specifiek bewijs betekent niet dat er geen richtlijnen zijn. De werkgroep infectiepreventie concludeerde dat, gezien het ontbreken van studies die afwijken van de bestaande aanbevelingen, er geen reden is om af te wijken van de algemene module 'Isolatie en infectiepreventiemaatregelen'. Deze module beveelt aan om meerpersoonskamers na vertrek van de laatste ESBL-E. coli-positieve patiënt volledig te desinfecteren. Er is simpelweg geen onderzoek gevonden dat suggereert dat een minder intensieve reiniging voldoende is om transmissie te voorkomen.
Praktische Maatregelen en Isolatieprotocollen
Naast de discussie over desinfectie, bieden de bronnen inzicht in de bredere context van isolatiemaatregelen in de zorg. Deze maatregelen zijn ingedeeld naar het type verspreidingsweg van het pathogene.
Contactisolatie
Bij contactisolatie, ingesteld om verspreiding via direct contact te voorkomen (bijvoorbeeld bij wondinfecties of via handen), worden specifieke protocollen gevolgd. Patiënten worden indien mogelijk op een eenpersoonskamer verpleegd. Op de deur wordt een kaart geplaatst (geel, blauw of groen) die de maatregelen aangeeft.
De beschermende kleding voor ziekenhuismedewerkers (artsen, verpleegkundigen) bestaat uit: - Handschoenen bij contact met het gebied waar de bacterie zich bevindt. - Een beschermende jas bij contact met het gebied waar de bacterie zich bevindt.
Bezoekers dienen bij het verlaten van de kamer hun handen te desinfecteren met handalcohol.
Druppelisolatie
Druppelisolatie is gericht op het voorkomen van overdracht via druppels, bijvoorbeeld door hoesten of niezen. Ook hier wordt, indien mogelijk, een eenpersoonskamer nagestreefd. Op de deur bevindt zich een grijze of grijs/roze kaart.
De benodigde beschermende kleding verschilt licht: - Een masker is standaard. - In sommige gevallen draagt men een beschermende bril, een beschermende jas en/of handschoenen. Ook bezoekers dragen een masker en soms extra bescherming.
Overdracht en Continuïteit van Zorg
Een belangrijk aspect van infectiepreventie is de overdracht van patiënten tussen zorginstellingen, zoals van ziekenhuis naar verpleeghuis of wijkverpleging. Uit de praktijk blijkt dat ontvangende instanties soms niet op de hoogte zijn van de BRMO-status (Bijzonder Resistente Micro-Organismen) of de isolatie-indicatie van een patiënt. Dit vormt een risico op verspreiding.
Er is een roep om betere communicatie en standaardvragen vanuit verpleeghuizen naar ziekenhuizen toe. Ook vanuit arbeidshygiënisch perspectief is dit relevant. Er bestaat verwarring over de classificatie van hulpmiddelen; zo wordt een chirurgisch masker volgens de wetgeving niet gezien als Persoonlijk BeschermingsMiddel (PBM), terwijl het in de praktijk wel als zodanig wordt gebruikt. Dit vraagt om coherentie tussen ARBO-wetgeving en infectiepreventierichtlijnen.
Conclusie
De analyse van de beschikbare literatuur rondom terminal desinfectie voor ESBL-E. coli toont een opvallend gebrek aan direct, specifiek wetenschappelijk bewijs. Er zijn geen studies gevonden die aantonen dat een minder intensieve desinfectie volstaat om transmissie van ESBL-E. coli te voorkomen. Hierdoor blijft de huidige richtlijn, die volledige einddesinfectie van meerpersoonskamers voorschrijft, vooralsnog de meest veilige keuze, ook al is deze arbeidsintensief en praktisch lastig uitvoerbaar.
Naast de technische kant van desinfectie, is het duidelijk dat infectiepreventie een systeem is dat rust op meerdere pijlers: correcte isolatiemaatregelen (contact- en druppelisolatie), het dragen van de juiste persoonlijke beschermingsmiddelen, en bovenal een zorgvuldige communicatie over de infectiestatus bij overdracht van patiënten tussen instellingen. Het ontbreken van bewijs voor de-implementatie betekent dat de huidige voorzorgsprincipes gehandhaafd moeten blijven totdat toekomstig onderzoek anders aantoont.