Inleiding
De COVID-19-pandemie heeft een ongekende impact gehad op de samenleving, waaronder de manier waarop we wonen en werken. In de context van vastgoed, renovatie en bouw is het van cruciaal belang om inzicht te hebben in de verspreiding van het virus, met name in binnenruimten waar professionals werkzaamheden uitvoeren of bewoners verblijven. Het bepalen van het moment waarop een patiënt niet meer besmettelijk is, vormde de basis voor isolatiemaatregelen en richtlijnen voor de volksgezondheid. Deze analyse richt zich op de wetenschappelijke data die ten grondslag lag aan de adviezen omtrent isolatie en besmettelijkheid, zoals vastgelegd in richtlijnen en onderzoeksrapporten.
De kernvraag is wanneer een COVID-19-patiënt niet meer besmettelijk is en isolatie kan worden opgeheven. Hierbij wordt gekeken naar de aanwezigheid van kweekbaar (infectieus) virus, de duur van de uitscheiding, en de relatie met klinische parameters zoals symptomen en Ct-waarden. Hoewel de maatregelen voor de algemene bevolking inmiddels zijn afgeschaald, biedt de onderbouwing van de eerdere regelgeving waardevolle inzichten voor het begrijpen van virusgedrag in binnenruimten.
De Wetenschappelijke Basis: Kweekbaar Virus als Maatstaf
Voor het bepalen van de besmettelijkheid werd door experts het aantonen van kweekbaar virus als cruciale uitkomstmaat beschouwd. Kweekbaar virus wordt gezien als de beste proxy voor het meten van infectieus virus en daarmee de kans op transmissie. Hoewel de kans op transmissie ook samenhangt met klachten als hoesten en niezen, en het niet vaststaat dat met kweekbaar virus altijd de minimale infectieuze dosis wordt bereikt, vormde de kweek de wetenschappelijke basis voor besluitvorming.
Het Verband tussen Virale Load en Infectieus Virus
Onderzoek heeft aangetoond dat er een duidelijk verband bestaat tussen de virale load en de kans op isolatie van infectieus SARS-CoV-2. Multivariate analyses toonden aan dat een virale load boven de 7 log10 RNA-kopieën per milliliter significant correleerde met de isolatie van infectieus virus uit de luchtwegen (OR 14,7). Dit benadrukt dat hoge virale loads, en dus hoge aantallen virusdeeltjes, samengaan met een verhoogde besmettelijkheid.
Een studie uit Taiwan voerde 60 viruskweken uit bij 50 met RT-PCR bevestigde COVID-19-patiënten. Uit 34 monsters (keel, nasopharynx en sputum) kon het virus gekweekt worden. Deze kweekbare monsters werden gekenmerkt door een significant lagere Ct-waarde (Cycle threshold) vergeleken met niet-kweekbare monsters. De Ct-waarde geeft het aantal cycli aan dat nodig is om het virus aan te tonen; een lagere waarde duidt op een hogere virale concentratie.
De studie bepaalde de hoogste Ct-waarde die nog voldoende was voor virusisolatie op: - Ct-waarde 31,47 voor het nsp12-gen. - Ct-waarde 31,46 voor het E-gen. - Ct-waarde 35,2 voor het N-gen.
Daarnaast werd het laagste aantal genoomkopieën dat vereist was voor virusisolatie bepaald op respectievelijk 5,4, 6,0 en 5,7 log10 genoomkopieën/ml monster. Monsters met kweekbaar virus worden dus gekenmerkt door hoge kopieaantallen.
Correlatie tussen Ct-waarde en Viruskweek
Een andere belangrijke studie, uitgevoerd in het Méditerranée Infection University Hospital Institute in Marseille, onderzocht de correlatie tussen Ct-waarden en het kweken van het virus. Van de 183 monsters (sputum en nasopharynx) kon uit 129 virus gekweekt worden. Er werd een significant verband gevonden tussen de Ct-waarde en het percentage positieve kweken: - Monsters met Ct-waarden tussen 13 en 17 leidden allemaal tot een positieve kweek. - Het percentage positieve kweken nam af naarmate de Ct-waarde steeg. - Bij een Ct-waarde van 33 was nog 12% van de kweken positief. - Bij een Ct-waarde hoger dan 34 werden geen positieve kweken meer gevonden.
Deze data suggereren dat besmettelijkheid waarschijnlijk afneemt naarmate de Ct-waarde stijgt boven een bepaalde drempel (rond de 33-34), hoewel dit afhankelijk is van het specifieke gen dat wordt getest.
Klinische Duur van Besmettelijkheid en Uitscheiding
Naast laboratoriumparameters is de timing van de ziekte van belang. Onderzoek naar de duur van de uitscheiding van het virus biedt inzicht in hoe lang isolatie noodzakelijk zou kunnen zijn.
Een studie naar de mediane duur van de uitscheiding liet zien dat deze 8 dagen na het begin van de symptomen bedroeg (Interquartile Range 5-11). De waarschijnlijkheid dat infectieus virus werd opgespoord, daalde tot minder dan 5% na 15,2 dagen na het begin van de symptomen (95% BI 13,4 – 17,2).
Een andere analyse van de besmettelijke periode gaf aan dat de kans op transmissie het grootst is van 2 dagen voor tot 3 dagen na het starten van de symptomen. Daarna neemt de kans af tot dag 5. Tussen dag 5 en dag 7 is het risico niet goed bekend, maar lijkt het beperkt.
Deze gegevens vormden de basis voor de isolatierichtlijnen. Voor de algemene bevolking werd de verplichte isolatie bij respiratoire symptomen of een positieve COVID-19-test per 10 maart 2023 niet langer van toepassing verklaard, ondanks het feit dat besmette personen theoretisch tot 10 dagen na de diagnose besmettelijk kunnen zijn. De kenmerken van SARS-CoV-2 zijn hierbij niet veranderd.
Praktische Richtlijnen voor het Beëindigen van Isolatie
Gebaseerd op de bovengenoemde data zijn er criteria opgesteld om de isolatie te beëindigen. De richtlijnen onderscheiden een test-gestuurde benadering en een tijdsgestuurde benadering.
Criteria voor Beëindiging van Isolatie
Indien een persoon positief is getest op COVID-19 en symptomen had, kon de isolatie onder bepaalde voorwaarden worden beëindigd: 1. Tijdsgestuurd: Na vijf volledige dagen, mits er aan de klinische voorwaarden is voldaan. 2. Test-gestuurd: Vanaf dag vijf of later, mits een antigeentest negatief is.
De klinische voorwaarden voor het beëindigen van isolatie zijn: * Koortsvrij: De patiënt moet 24 uur koortsvrij zijn zonder het gebruik van koortsverlagende medicatie. * Symptoomverbetering: De andere symptomen moeten zijn verbeterd.
Als er geen test wordt afgenomen, gold vaak de richtlijn dat na 5 dagen de isolatie kon worden beëindigd indien de persoon geen koorts had en de symptomen verbeterden. De algemene gedachte was dat de besmettelijkheid na 5 dagen meestal was afgenomen, hoewel hoesten en niezen het besmettelijker kunnen maken.
Voor huisgenoten gold een quarantaine van 14 dagen na het laatste contact, aangezien het ziek worden tot 14 dagen na contact mogelijk is.
Conclusie
De besluitvorming omtrent isolatie en besmettelijkheid bij COVID-19 was gestoeld op een combinatie van virologische data en klinische observaties. Het aantonen van kweekbaar virus, correlerend met lage Ct-waarden en hoge virale loads (boven 7 log10 RNA-kopieën/ml), gold als de sterkste indicator voor infectieus potentieel. Onderzoek toonde aan dat het virus tot ongeveer 8 dagen na symptoomstart werd uitgescheiden, met een significant afnemende kans op besmettelijkheid na dag 5.
De richtlijnen voor het algemene publiek zijn in de loop der tijd geëvolueerd van strikte verplichting naar een advies gebaseerd op zelftesten en het verbeteren van klachten. De kernboodschap blijft dat de besmettelijkheid het grootst is in de eerste dagen na het ontstaan van klachten en afneemt naarmate de tijd verstrijkt en de virale load daalt. Voor professionals in de bouw en vastgoed die in contact komen met bewoners of collega's, is het van belang om zich bewust te zijn van deze dynamiek, ook al zijn de wettelijke verplichtingen vervallen. Het hanteren van basis hygiënemaatregelen en het thuisblijven bij klachten blijft de meest effectieve manier om verspreiding in binnenruimten te beperken.