Inleiding
In de bouwtechnische tekenpraktijk is het visueel onderscheiden van isolatiematerialen in doorsneden en plattegronden een fundamentele vereiste. Het correct weergeven van isolatiearcering in computer-aided design (CAD) software zorgt voor duidelijkheid in bouwtekeningen, hetgeen essentieel is voor architecten, ingenieurs en aannemers. De bronnen bieden een diepgaande blik op de specifieke methoden binnen AutoCAD en Revit om deze patronen te genereren, te configureren en te gebruiken. Dit artikel behandelt de technische aspecten van het arceren van isolatie, variërend van het gebruik van standaardpatronen en custom definities tot het toepassen van complexe lijntypen en het werken met toolpaletten. De focus ligt hierbij op de nauwkeurigheid en schaalbaarheid van de patronen, aangezien deze vaak afhankelijk zijn van de laagdikte van het isolatiemateriaal of de tekenschaal.
Technieken voor het Arceren van Isolatie
Het weergeven van zachte isolatie in CAD-tekeningen kan op diverse manieren worden gerealiseerd. De keuze voor een specifieke techniek hangt af van de gebruikte software (zoals AutoCAD of Revit) en de gewenste visuele representatie. Hieronder worden de belangrijkste methoden besproken, gebaseerd op de beschikbare documentatie.
1. Het Gebruik van het HATCH Commando in AutoCAD
Een van de meest gangbare methoden is het toepassen van het HATCH commando. Hierbij wordt een arceerpatroon gevuld in een gesloten vlak.
Standaardpatronen:
In de basisversie van AutoCAD bevinden zich standaardpatronen, maar voor isolatie is het aanbod beperkt. Het patroon INSUL wordt weliswaar geleverd, maar voldoet vaak niet aan de visuele eisen voor isolatiemateriaal. Soms wordt het patroon NET gebruikt, maar dit is eveneens niet specifiek ontworpen voor isolatie.
User Defined en Custom Patronen: Om een meer specifieke weergave te creëren, kan men gebruikmaken van "User Defined" patronen. Hierbij stelt de gebruiker zelf een hart-op-hart afstand en een hellingshoek in. Een gebruikelijke instelling voor isolatie is een zigzag-patroon, waarbij de h.o.h. afstand gelijk wordt gesteld aan de laagdikte van de isolatie en de hoeken op 60 en -60 graden worden gezet.
Daarnaast is het mogelijk om volledig eigen patronen te definiëren en op te slaan in een .pat-bestand. Het schrijven van een dergelijk patroonbestand wordt beschouwd als een complexe taak. Een specifiek patroon met de naam "Isolatie" kan worden geïnstalleerd. Bij het downloaden en installeren van dergelijke custom patronen moet het bestand worden geplaatst in de supportmap van AutoCAD, bijvoorbeeld in C:\Users\Gebruiker\AppData\Roaming\Autodesk\AutoCAD ####\R##.0\enu\Support. Na installatie is het patroon beschikbaar onder "Hatchpattern" -> "Custom". Een cruciaal detail bij deze specifieke custom patronen is dat de schaal van het patroon direct gelijk is aan de isolatiedikte. Het startpunt van de arcering bevindt zich standaard in de linkeronderhoek van het geselecteerde vlak.
Werkwijze met UCS (User Coordinate System):
Voor een correcte plaatsing is het vaak nodig het UCS evenwijdig te plaatsen aan het te arceren vlak. Hierdoor staan de kruisdraden tijdelijk evenwijdig aan het vlak, met het startpunt op 0,0 aan het begin van de geselecteerde lijn. Na het plaatsen van de arcering met het commando -HATCH en het invullen van de scale (gelijk aan de isolatiedikte), dient het UCS teruggezet te worden naar "World".
2. Complex Lijngebruik: Het BATTING Linetype
Een alternatieve en snelle methode is het gebruik van een complex lijntype, specifiek het BATTING lijntype. Dit lijntype creëert een zigzagpatroon dat lijkt op isolatiemateriaal.
Werkwijze: 1. Maak een aparte laag aan. 2. Koppel het lijntype "BATTING" aan deze laag. 3. Teken een lijn of polyline op het hart van de isolatie.
De fijnheid van het patroon is afhankelijk van diverse schaalinstellingen, waaronder de "current overall linetype scale", de "current annotative object scale" en de "current object scale". Het afstemmen van deze variabelen is nodig om een visueel correct resultaat te bereiken.
3. Werken in Revit
In Revit kunnen isolatiearceringen in wanden automatisch worden gegenereerd, maar het komt voor dat deze niet mooi zijn uitgelijnd of incorrect weergegeven worden in een bepaalde schaal. Omdat handmatige correctie hier vaak ondoenlijk is, bieden specifieke tools uitkomst.
Een dergelijke tool start een commando op met een dialoogvenster waarin de gebruiker aangeeft of het een "Drafting" of "Model" arcering betreft. Vervolgens kunnen de dikte van de isolatie en de schaal worden ingevuld. De tool genereert vervolgens de arcering op de gewenste locatie. Hierbij kan de locatie van het op te slaan bestand worden aangegeven, waarbij het aanbevolen wordt dit pad aan te passen naar een bibliotheek op het bureau.
Configuratie en Beheer van Arceringsbestanden
Het effectief gebruiken van isolatiearcering vereist kennis van het beheer van patroonbestanden en de interface van de software.
Installeren en Activeren van Patronen
Voor AutoCAD (inclusief LT) en vergelijkbare software (BricsCAD, GstarCAD) is het downloaden van custom patronen een veelvoorkomende stap. Na het downloaden moet het bestand in de juiste supportmap worden geplaatst. De exacte locatie kan variëren per versie, maar bevindt zich vaak in Application Data of AppData\Roaming.
Zodra het bestand is geplaatst, is het commando HATCH gereed voor gebruik. Via de "Quick" tab in het hatch-dialoogvenster kan het type worden ingesteld op "Custom". Door op de drie puntjes (...) te klikken, wordt de lijst met beschikbare patronen getoond, waarbij de naam "Isolatie" (of een andere custom naam) moet verschijnen.
Foutmeldingen en Probleemoplossing
Bij het toevoegen van eigen arceringspatronen kunnen fouten optreden. Een veelvoorkomende oorzaak is een onjuiste opmaak van het .pat-bestand, zoals het vergeten van een enter, meerdere enters of een verkeerde bestandsnaam.
Een specifieke restrictie geldt voor het toevoegen van patronen aan het bestand ACADISO.pat. In de naam van de arcering mag het woord "ISO" niet in het begin voorkomen. Bijvoorbeeld:
* Niet toegestaan: ISOLATIE
* Toegestaan: VOCHTISOLATIE
Indien deze regel niet wordt gevolgd, geeft AutoCAD een "Error in Pattern File" melding, hoewel de arcering in sommige gevallen wel zou kunnen werken. Het is raadzaam deze foutmelding te vermijden door de naamgeving correct te volgen.
Toolpaletten (Toolpalettes)
Voor een gestroomlijnde workflow kunnen toolpaletten worden gebruikt. Deze bieden een overzichtelijke manier om arceerpatronen te selecteren en toe te passen.
Schaalafhankelijke patronen:
De meeste patronen in een toolpalette zijn schaalafhankelijk. De software kijkt naar de actieve DIMSCALE (dimension scale) om de fijnheid van het patroon te bepalen.
Ware grootte patronen: Sommige patronen, zoals die voor tegelwerk, hebben een absolute afmeting en zijn dus onafhankelijk van de schaal.
Laagdikte afhankelijke patronen: Specifiek voor isolatie en afwerklagen kunnen patronen een relatie hebben met de laagdikte. In de toolpalette is vaak een voorbeeldwaarde voor de laagdikte ingesteld. Deze kan worden aangepast via de "Toolproperties". Dit sluit aan bij de eerder genoemde werkwijze waarbij de schaal van het patroon gelijk is aan de isolatiedikte.
Om zelf een toolpalette te gebruiken, dient men het bestand arceren.xtp te lokaliseren in de aangemaakte map. Na het openen via de juiste knoppen in de interface (sluiten met "CLOSE" knop) verschijnt de palette in beeld.
Conclusie
Het correct weergeven van isolatie in bouwtekeningen is een vereiste voor duidelijke communicatie in bouwprojecten. De bronnen demonstreren dat AutoCAD en Revit hiervoor diverse geavanceerde mogelijkheden bieden. Hoewel standaardpatronen zoals INSUL vaak onvoldoende zijn, bieden custom patronen, de "User Defined" functie en complexe lijntypen zoals BATTING robuuste oplossingen.
Een sleutelfactor voor succes is het begrip van de relatie tussen de schaal, de laagdikte en de arcering. In specifieke AutoCAD-patronen is de schaal direct gelijk aan de isolatiedikte, wat de consistentie in tekeningen bevordert. In Revit bieden specifieke tools een oplossing voor het automatisch aligneren en genereren van deze patronen. Tot slot is het beheer van .pat-bestanden en het voorkomen van specifieke foutmeldingen (zoals het verbod op "ISO" aan het begin van een bestandsnaam) essentieel voor een foutloze workflow. Door deze technieken toe te passen, kunnen professionals en enthousiaste doe-het-zelvers nauwkeurige en professioneel ogende technische tekeningen produceren.