Inleiding
In de bouwsector en bij grondwerkzaamheden komt men regelmatig de term IBC-werken tegen. Deze werken, waarbij specifieke bouwstoffen worden toegepast onder strikte voorwaarden, vormen een belangrijk onderdeel van de infrastructuur in Nederland. De term IBC staat hierbij voor Isolatie, Beheersing en Controle. Deze maatregelen zijn essentieel om te voorkomen dat bepaalde bouwstoffen, die van nature emissies naar het milieu kunnen veroorzaken, toch veilig kunnen worden gebruikt. Een prominent voorbeeld van een dergelijke bouwstof is AEC-bodemas, het restproduct dat ontstaat bij de verbranding van afval in een afvalenergiecentrale.
De afgelopen jaren heeft er een significante ontwikkeling plaatsgevonden in de regelgeving rondom deze werken. Het onderwerp is complex en raakt zowel de technische uitvoering als de wettelijke verplichtingen. Het is van groot belang dat opdrachtgevers, aannemers, en eigenaren van bestaande werken op de hoogte zijn van de huidige status, de historische context en de controleverplichtingen. Dit artikel biedt een gedetailleerd en volledig overzicht van IBC-werken, gebaseerd op de laatste beschikbare kennisdocumenten en regelgeving. We bespreken wat IBC-bouwstoffen zijn, welke maatregelen vereist zijn, hoe de kwaliteitsborging in zijn werk gaat, en welke wetswijzigingen per 2022 en 2024 van kracht zijn geworden.
Wat zijn IBC-werken en IBC-bouwstoffen?
Om de complexiteit van IBC-werken te begrijpen, is het allereerst noodzakelijk om de definities scherp te hebben. De kern van de zaak ligt in de emissie-gevoeligheid van bepaalde materialen.
Definitie van IBC-bouwstoffen
Volgens de officiële definities (zoals vastgelegd door instanties als CROW en SIKB) zijn IBC-bouwstoffen ongebonden bouwstoffen die vanwege hun chemische samenstelling of fysische eigenschappen een verhoogd risico op emissie naar het milieu vormen. Zonder maatregelen zouden deze stoffen te veel schadelijke stoffen kunnen afgeven aan het grondwater of het oppervlaktewater.
Deze bouwstoffen mochten in het verleden alleen worden toegepast in 'werken'. In deze context betekent 'werken' functionele en nuttige toepassingen in de bouw en infrastructuur. Denk hierbij aan: - Gebouwen - (Spoor)wegen - Bruggen - Geluidswallen - Dijken
De meest voorkomende IBC-bouwstof in Nederland is AEC-bodemas (ook wel AVI-bodemas genoemd). Dit is het materiaal dat overblijft na de verbranding van huishoudelijk afval, bedrijfsafval of grof afval in een AfvalVerbrandingsInstallatie (AVI) of AfvalEnergieCentrale (AEC). Dit materiaal wordt vaak gebruikt als funderingsmateriaal of voor ophogingen.
Het IBC-principe: Isolatie, Beheersing, Controle
De toepassing van deze bouwstoffen is alleen toegestaan dankzij het IBC-principe: 1. Isolatie: De bouwstof moet fysiek worden afgeschermd van de omgeving. Dit gebeurt door het aanbrengen van specifieke isolerende voorzieningen die infiltratie van regenwater voorkomen en uitspoeling beperken. 2. Beheersing: Er moeten maatregelen worden getroffen om de omgeving te beschermen, zoals het aanleggen van drainage en het beheren van het grondwaterpeil. 3. Controle: Er moet regelmatig toezicht en inspectie plaatsvinden om te verzekeren dat de isolatie en beheersing nog functioneren en er geen nadelige milieueffecten optreden.
Technische eisen en maatregelen voor IBC-werken
Voor de aanleg van een werk met IBC-bouwstoffen golden in het verleden strikte technische voorschriften. Deze waren vastgelegd in regelgeving zoals het Besluit bodemkwaliteit en de Regeling bodemkwaliteit. Hoewel de toepassing van nieuwe IBC-bouwstoffen is verboden, zijn deze technische eisen cruciaal voor het begrip en het beheer van bestaande werken.
Minimale omvang en locatie
Een van de basisvoorwaarden was de schaal van de toepassing. Om de risico's te beheersen, moest een IBC-werk een minimale volume hebben. De eis was dat er minimaal 10.000 m³ aan IBC-bouwstof in een aaneengesloten hoeveelheid moest worden toegepast. Dit zorgde ervoor dat de isolerende maatregelen efficiënt konden worden ingericht.
Een andere cruciale eis betrof de positie ten opzichte van het grondwater. De onderzijde van de toegepaste IBC-bouwstof moest minimaal 0,5 meter boven het ontwerppeil van het grondwater liggen. Hierbij moest rekening worden gehouden met toekomstige zettingen van de grond en de capillaire stijghoogte (de hoogte tot welk water in de poriën van de grond omhoog kan kruipen). Deze maatregel voorkomt dat het grondwater in direct contact komt met de bodem van het IBC-werk, waardoor emissie naar de ondergrond wordt geminimaliseerd.
Isolerende voorzieningen
De bovenzijde en zijkanten van een IBC-werk moeten worden voorzien van een waterkerende laag. De Regeling bodemkwaliteit schrijft voor dat deze isolerende voorziening kan bestaan uit diverse materialen, afhankelijk van de specifieke toepassing en het beoogde gebruik van het werk: - Bentonietmat: Een kleimateriaal dat uitzet bij contact met water en zo een waterdichte barrière vormt. - Laag zandbentonietpolymeergel: Een vloeibare of halfvaste laag die na uitharding een dichte laag vormt. - HDPE-folie: Hoogdichtheidspolyetheenfolie, een synthetische kunststof die zeer waterdicht is. - Vloeistofdichte wegverharding of vloer: Dit is relevant wanneer het IBC-werk onder een verharding ligt. - Vloeistofdichte bebouwing inclusief randbalken: Wanneer het werk deel uitmaakt van een gebouw.
De keuze voor het type isolatie is afhankelijk van de functie van het werk (bijvoorbeeld een weg of een gebouw) en de gewenste duurzaamheid.
Samenhangende onderdelen
Naast de primaire isolerende laag omvat een IBC-werk diverse samenhangende onderdelen die essentieel zijn voor het functioneren van het geheel. Denk hierbij aan: - Een stabiele laag onder de IBC-bouwstof. - Een steunlaag of fundering voor de isolerende voorziening. - Een diffusie-remmende laag om gasvormige emissies te beperken. - Drainage- en wateropvangvoorzieningen om regenwater efficiënt af te voeren. - Een deklaag die het werk beschermt tegen slijtage en weersinvloeden. - Geotechnische constructies en constructies die de stabiliteit en duurzaamheid waarborgen. - Monitoringsvoorzieningen, zoals peilbuizen, om de kwaliteit in de gaten te houden.
Kwaliteitsborging en inspectie
De veiligheid en milieuvriendelijkheid van IBC-werken hangen af van een strikt kwaliteitsborgingsproces. Dit proces bestaat uit ontwerpbeoordeling, inspectie tijdens de aanleg en monitoring tijdens de levensduur.
Ontwerpbeoordeling
Voordat een IBC-werk werd aangelegd, moest het ontwerp worden voorgelegd aan de Advieskamer Bodembescherming. Dit is een onafhankelijke deskundigencommissie die functioneert binnen de SIKB (Stichting Infrastructuur Kwaliteitsborging Bodem). De Advieskamer beoordeelde het ontwerp volgens het werkvoorschrift 'Beoordelen ontwerp IBC-werk'. Hierbij werd gekeken of de gekozen isolatiemaatregelen, de waterhuishouding en de monitoring voldeden aan de eisen om emissies te voorkomen.
Inspectie bij aanleg: Protocol 6901
Tijdens de aanleg van een IBC-werk is inspectie cruciaal. Hiervoor is de richtlijn AS SIKB 6900 van toepassing, en meer specifiek het protocol 6901 Aanleg. Dit protocol beschrijft hoe en op welke onderdelen de inspectie moet worden uitgevoerd. De inspectiemethode is een combinatie van: - Visuele inspectie: Controleren of materialen en constructies overeenkomen met het ontwerp. - Onderzoek en proeven: Uitvoeren van testen om de kwaliteit en dichtbaarheid van de isolerende voorzieningen te verifiëren.
Het doel is om direct bij de bouw eventuele fouten te identificeren en te herstellen, voordat het werk in gebruik wordt genomen.
Monitoring en controle tijdens beheer
Eenmaal in gebruik, vereisen IBC-werken voortdurende controle. De eigenaar van het werk is verantwoordelijk voor het onderhoud en de monitoring. De monitoring bestaat uit: - Plaatsen van peilbuizen: Rondom het werk moeten peilbuizen worden geplaatst om het grondwaterpeil en de waterkwaliteit te meten. - Regelmatige inspectie: Periodiek moet worden gecontroleerd of de isolerende voorziening nog intact is en of de drainage goed functioneert.
Deze verplichtingen zijn vastgelegd om te waarborgen dat de milieubelasting binnen de perken blijft. Het is een doorlopende verantwoordelijkheid van de eigenaar.
De juridische en regelgevende context: een ingrijpende wijziging
De afgelopen jaren is het beleid rondom IBC-bouwstoffen drastisch gewijzigd. Dit is het gevolg van een streven naar een circulaire economie en het minimaliseren van milieurisico's.
De overgang naar de Omgevingswet
Tot 1 januari 2022 mochten IBC-bouwstoffen volgens het Besluit bodemkwaliteit worden toegepast. Echter, met de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2023 (de datum waarop de wet in werking trad, met overgangsrecht) is dit fundamenteel veranderd. De Omgevingswet stelt strengere eisen aan bouwstoffen. Bouwstoffen moeten voldoen aan maximale emissiewaarden. IBC-bouwstoffen, die per definitie niet aan deze emissiewaarden voldoen zonder de IBC-maatregelen, passen niet meer in dit nieuwe kader.
Daarom is het onder de Omgevingswet niet meer toegestaan om IBC-bouwstoffen toe te passen. Het argument hierachter is dat deze toepassing niet strookt met het streven naar een circulaire economie. Materialen die potentieel schadelijk zijn voor het milieu en afhankelijk zijn van complexe isolatiemaatregelen, worden uitgefaseerd.
Uitfaseringsdatum en overgangsrecht
De uitfaseringsdatum is in fases verlopen: 1. Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet: Het was nog mogelijk om IBC-bouwstoffen toe te passen, mits voldaan werd aan de oude regelgeving (Bodemkwaliteit). 2. Per 1 juli 2021: Via een Wijzigingsbesluit van het Besluit vrijstelling stortverboden buiten inrichtingen (Bvsbi) is de toepassing van AVI-bodemas (AEC-bodemas) als IBC-bouwstof buiten inrichtingen niet meer toegestaan. 3. Per 1 januari 2022: Er gold een overgangsperiode voor het verwerken van bestaande voorraden AVI-bodemas. Vanaf deze datum mocht er geen nieuwe IBC-bouwstof meer worden toegepast in werken. 4. Per 1 januari 2024: Het verbod is uitgebreid. Vanaf deze datum is het ook verboden om AVI-bodemas binnen inrichtingen als IBC-bouwstof toe te passen.
Voor bestaande werken die vóór de inwerkingtreding zijn aangelegd, geldt overgangsrecht. Dit betekent dat de oude regelgeving en de verplichtingen voor monitoring en beheer (de IBC-maatregelen) nog steeds van kracht zijn voor deze werken. De eigenaar blijft dus verantwoordelijk voor het beheer en de controle van deze bestaande toepassingen.
Het kennisdocument en de uitdagingen bij handhaving
Ondanks de uitfaseringsstatus van nieuwe toepassingen, blijft de bestaande infrastructuur met IBC-werken een aandachtspunt. De hoeveelheid bestaande werken met AEC-bodemas is aanzienlijk, met name in projecten van Rijkswaterstaat onder rijkswegen.
Nalevingstekorten
Uit onderzoek is gebleken dat er een nalevingstekort bestaat bij het toezicht en de handhaving van de monitorings- en controleverplichtingen. Met name bij kleinere IBC-toepassingen werd geconstateerd dat de verplichte monitoring niet of onvoldoende werd uitgevoerd. Dit leidde tot een kamervergadering en een kamermanagement op 26 februari 2021, waarop het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat in overleg is gegaan met de decentrale bevoegde gezagen.
Kennisdocument controle IBC-werken
Om dit tekort te verhelpen en de handhaving te stroomlijnen, is een kennisdocument beschikbaar gekomen (gepubliceerd op 20 januari 2023). Dit document is een hulpmiddel voor toezicht en handhaving. Het beschrijft het beleid en de regelgeving voor de instandhouding en de controle van de isolatie van IBC-werken met AEC-bodemas. Het doel is om de kennis over de verplichtingen te verbeteren en een uniforme aanpak te bewerkstelligen.
Controleverplichtingen in de tijd
Een complex aspect van de bestaande werken is dat de verplichtingen door de jaren heen zijn gewijzigd. Een bureaustudie heeft inzicht gegeven in de (controle)verplichtingen van met AEC-bodemas aangelegde IBC-werken in verschillende tijdsperioden. De regelgeving is meerdere keren aangepast, waardoor voor bestaande werken kan gelden dat de verplichtingen uit het verleden anders zijn dan de huidige eisen. Het is voor eigenaren en inspecteurs van cruciaal belang om te weten in welke periode het werk is aangelegd en welke regels toen golden, om te bepalen welke controleverplichtingen nu nog gelden.
Conclusie
IBC-werken vormen een complex hoofdstuk in de Nederlandse bouw- en infrasector. De toepassing van bouwstoffen zoals AEC-bodemas onder IBC-condities was in het verleden een geaccepteerde methode om reststromen een nuttige bestemming te geven, mits strikte technische maatregelen werden genomen om het milieu te beschermen. Deze maatregelen, gericht op isolatie, beheersing en controle, waren complex en vereisten een hoge mate van kwaliteitsborging via ontwerpbeoordeling, inspectie en monitoring.
De huidige regelgeving markeert een duidelijke koerswijziging. Met de invoering van de Omgevingswet en de daaraan voorafgaande wetswijzigingen is de toepassing van IBC-bouwstoffen definitief uitgefaseerd. Het streven is nu gericht op een circulaire economie waarin bouwstoffen inherent milieuvriendelijker zijn en niet afhankelijk zijn van isolerende maatregelen.
Voor de bestaande infrastructuur verandert er echter nog veel. De enorme hoeveelheid reeds aangelegde IBC-werken, met name onder rijkswegen, blijft onder het overgangsrecht vallen. Dit betekent dat de verantwoordelijkheden voor beheer, monitoring en inspectie onverminderd van kracht blijven. Het nalevingstekort dat is geconstateerd, onderstreept het belang van het kennisdocument en de voortdurende aandacht voor handhaving. Professionals in de sector moeten zich bewust zijn van de historische context, de technische specificaties van bestaande werken en de huidige juridische verplichtingen om risico's te beheersen en de kwaliteit van de bestaande bouw-infrastructuur te waarborgen.