Preventie en Bestrijding van Clostridium difficile in Woon- en Zorgomgevingen: Een Praktische Gids

Clostridium difficile is een bacterie die aanzienlijke gezondheidsproblemen kan veroorzaken, met name in situaties waarin de natuurlijke darmflora verstoord is, zoals na antibioticagebruik. De bacterie vormt een specifieke uitdaging omdat hij in staat is sporen te vormen, waardoor hij lang in de omgeving kan overleven en verspreiding kan blijven faciliteren. Hoewel de bacterie vaak in ziekenhuizen wordt besproken, is de kennis over preventie en bestrijding relevant voor een breder spectrum van omgevingen, waaronder zorginstellingen en potentieel woningen waar personen met een verhoogd risico verblijven. De verspreiding van de bacterie vindt primair plaats via de fecale-orale route, waarbij besmette oppervlakken en handen een cruciale rol spelen. Het begrip van de overleving van sporen en de effectiviteit van reinigings- en desinfectiemethoden is essentieel voor het beheersen van uitbraken.

De informatie in dit artikel is gebaseerd op richtlijnen en documentatie afkomstig van medische en verpleegkundige instanties. Deze bronnen bieden inzicht in de maatregelen die nodig zijn om de bacterie te bestrijden, welke direct toepasbaar zijn op het beheer van hygiëne in gebouwen en het voorkomen van besmetting.

De Aard en Risico's van Clostridium difficile

Clostridium difficile (C. difficile) is een bacterie die van nature in de darmen van mensen kan voorkomen. Over het algemeen veroorzaakt deze bacterie geen problemen zolang de concurrentie door andere darmbacteriën voldoende is. Echter, wanneer iemand antibiotica gebruikt, kan deze balans verstoord worden. Antibiotica doden niet alleen de schadelijke bacteriën, maar ook de beschermende bacteriën in de darm. Hierdoor kan C. difficile ongestoord groeien en giftige stoffen (toxines) produceren die een ontsteking van de darmwand veroorzaken, ook wel bekend als antibiotica-geassocieerde colitis of pseudomembraneuze colitis.

De verschijnselen van een infectie kunnen variëren van milde diarree tot ernstige diarree met buikpijn en koorts. In extreme gevallen kan dit leiden tot een levensbedreigende darmaandoening. De bacterie is bijzonder besmettelijk omdat deze kan veranderen in een spore. Een spore is een sterk beschermde vorm van de bacterie die bestand is tegen hitte, droogte en veel desinfectiemiddelen. Deze sporen kunnen maandenlang in de omgeving overleven op oppervlakken zoals de vloer, meubilair, maar ook op kleding en schoenen. Wanneer de sporen in contact komen met de darmen van een gevoelige persoon, kunnen ze weer uitgroeien tot de actieve bacterie.

Verspreidingsroutes

De verspreiding van C. difficile vindt op verschillende manieren plaats: 1. Direct contact: Contact met een besmette persoon, met name via hun handen of huid. 2. Indirect contact: Aanraken van oppervlakken of voorwerpen die besmet zijn met uitwerpselen van een geïnfecteerde persoon. Hierbij kan gedacht worden aan toiletten, bedden, nachtkastjes, maar ook aan medische instrumenten of hulpmiddelen. 3. Luchtverspreiding: Hoewel de bacterie niet standaard door de lucht wordt verspreid, kan dit wel gebeuren bij handelingen waarbij beddengoed wordt geschud of bij het verplaatsen van een patiënt, waardoor sporen in de lucht terechtkomen.

Isolatiemaatregelen en Patiëntenbegeleiding

In een zorgomgeving is het van groot belang om verspreiding te voorkomen. Patiënten met een vermoeden van of een bevestigde C. difficile-infectie worden in contactisolatie geplaatst. Dit houdt in dat de patiënt wordt verpleegd op een éénpersoonskamer. Indien een éénpersoonskamer niet beschikbaar is, kan cohorting (samenplaatsing van patiënten met dezelfde infectie) een overbruggende oplossing zijn, maar de voorkeur gaat uit naar een eigen kamer.

De deur van de isolatiekamer moet gesloten blijven om verspreiding naar de gang en andere kamers te voorkomen. Op de deur wordt vaak een waarschuwingssymbool geplaatst, zoals een groene kaart, om bezoekers en personeel te informeren over de noodzakelijke maatregelen.

Persoonlijke Beschermingsmiddelen (PBM)

Voor het personeel en bezoekers gelden strikte regels betreffende het gebruik van Persoonlijke Beschermingsmiddelen (PBM) bij het betreden van de kamer: * Handschchoenen: Deze zijn altijd verplicht bij elke vorm van contact met de patiënt of de directe omgeving van de patiënt. * Schort: Een schort wordt gedragen om kleding te beschermen tegen besmetting. De richtlijnen benadrukken dat het schort bij voorkeur lange mouwen heeft. Het is belangrijk om het schort aan te doen voordat de kamer wordt betreden en deze uit te doen voordat de kamer wordt verlaten, om verspreiding via de kleding te voorkomen.

Verplaatsen van de patiënt

Een patiënt met C. difficile mag de kamer alleen verlaten als dit strikt noodzakelijk is voor behandelingen of onderzoeken. Voordat de patiënt de kamer verlaat, moeten maatregelen worden genomen om verspreiding van sporen te minimaliseren. De patiënt moet adequate dekking hebben (bijvoorbeeld een broek die de ontlasting opvangt) en het is van belang dat het toiletbezoek zo kort mogelijk wordt gehouden. De ontvangende afdeling moet op de hoogte zijn van de isolatiestatus.

Handhygiëne: De Hoeksteen van Preventie

Handhygiëne is de meest effectieve maatregel om kruisbesmetting te voorkomen. Bij C. difficile is de keuze van de methode cruciaal. Veel gangbare alcoholische handgels zijn niet effectief tegen de sporenvorm van de bacterie. Daarom is wassen met water en zeep de aangewezen methode.

Het wassen met water en zeep verwijdert de sporen fysiek van de handen. De mechanische werking van het wassen, gecombineerd met het oplosbare effect van zeep, zorgt ervoor dat de sporen worden weggespoeld. Het is essentieel dat medewerkers en bezoekers na het verzorgen van de patiënt of het aanraken van besmette oppervlakken direct hun handen wassen. Na het verlaten van de isolatiekamer dient deze handeling direct te worden herhaald.

Reiniging en Desinfectie van Oppervlakken

Het beheersen van de omgeving is een uitdaging vanwege de overleving van sporen. De schoonmaakprotocollen verschillen tussen routine-schoonmaak en schoonmaak tijdens een uitbraak.

Routine-schoonmaak

Bij routine-schoonmaak in een kamer van een patiënt met C. difficile is het belangrijk om water te gebruiken. Enkel droog vegen met microvezeldoeken is onvoldoende en kan zelfs leiden tot het verplaatsen van sporen in de lucht en naar andere plekken. Het vochtig schoonmaken van oppervlakken zorgt ervoor dat sporen worden opgenomen en verwijderd.

Tijdens een uitbraak of bij einddesinfectie

Wanneer er sprake is van een uitbraak of bij het ontslag van een patiënt, is desinfectie geïndiceerd. Hierbij is het spoelen van oppervlakken met water van essentieel belang. De keuze voor het juiste desinfectiemiddel is complex. Veel gangbare desinfectiemiddelen hebben geen werkzaamheid tegen sporen (sporicide werking).

  • Sporicide middelen: Er is behoefte aan duidelijkheid over welke desinfectiemiddelen daadwerkelijk sporicide werken. Middelen op basis van waterstofperoxide of chloordioxide zijn vaak effectief, maar vereisen specifieke toepassingsmethoden en contacttijden.
  • Veiligheid: Bij het gebruik van krachtige desinfectiemiddelen moeten de veiligheidsrisico's voor het schoonmaakpersoneel worden geëvalueerd. Dit betreft het lezen van de Material Safety Data Sheet (MSDS) en het dragen van de juiste Persoonlijke Beschermingsmiddelen (PBM), zoals handschoenen en beschermende kleding.
  • Thermische desinfectie: De vraag of thermische desinfectie in een bedpanspoeler voldoende is, is relevant. Echter, omdat sporen resistent zijn tegen verhitting (sommige sporen overleven zelfs koken), is het de vraag of standaard temperatuurprogramma's voldoende zijn. Ook UVC-licht wordt genoemd als een potentieel optie, maar dit vereist specifieke apparatuur en blootstellingstijden.

Specifieke aandachtspunten

Bij de reiniging is aandacht nodig voor diverse oppervlakken en hulpmiddelen. Denk hierbij aan: * Toiletten en toiletpotten. * Bedrastering en nachtkastjes. * Medische hulpmiddelen die niet wegwerpbaar zijn. * Vloeren, waar sporen lang kunnen blijven liggen.

Diagnostiek en Beëindiging van Maatregelen

Het opheffen van isolatiemaatregelen is gebaseerd op klinische en microbiologische criteria. Er is een onderscheid tussen een vermoeden van C. difficile en een bevestigde infectie.

Vermoeden van infectie

Bij een vermoeden worden er toxine-testen afgenomen. De isolatie mag worden opgeheven wanneer deze testen tweemaal met 24 uur tussenpoos negatief zijn.

Bevestigde infectie

Bij een bevestigde infectie (toxine-positief) mag de isolatie pas worden opgeheven wanneer de diarree over is. Praktisch wordt dit vaak gedefinieerd als een normaal defecatiepatroon gedurende 48 uur. Ook al zijn de klachten verdwenen, het is mogelijk dat de patiënt nog steeds dragers is van de bacterie, maar omdat de productie van toxines is gestopt, is het risico op verspreiding verminderd. De richtlijnen benadrukken dat het belangrijk is om hierin duidelijkheid te scheppen om verwarring te voorkomen.

Implementatie en Knelpunten in de Praktijk

Het effectief implementeren van maatregelen tegen C. difficile stuit in de praktijk op verschillende knelpunten. Uit analyse van de zorgpraktijk blijken de volgende prioriteiten: 1. Handhygiëne: De juiste methode (wassen met water en zeep) moet worden geïmplementeerd. 2. Isolatie: Duidelijkheid over het type isolatie en de criteria voor opheffing. 3. Reiniging en desinfectie: Zekerheid over de juiste methoden en veiligheid van middelen.

Factoren die implementatie beïnvloeden

Er zijn diverse factoren die het naleven van richtlijnen bemoeilijken: * Faciliteiten: Een tekort aan éénpersoonskamers belemmert de mogelijkheid tot adequate isolatie. * Kennis en Opleiding: Onvoldoende kennis over het ziektebeeld bij medewerkers op alle niveuren is een groot probleem. Dit geldt ook voor facilitair personeel dat verantwoordelijk is voor schoonmaak. * Protocollen: Ontbreken van heldere, korte protocollen voor cliënten, begeleiding en management. * Cultuur: Een cultuur waarin medewerkers elkaar niet aanspreken op fouten of onduidelijkheden leidt tot verspreiding.

Conclusie

Clostridium difficile is een hardnekkige bacterie die specifieke eisen stelt aan hygiëne en isolatie in woon- en zorgomgevingen. De vorming van sporen maakt de bestrijding complex, waardoor standaard schoonmaakmethoden onvoldoende zijn. Effectieve preventie berust op een combinatie van adequate isolatie van besmette personen, strikte naleving van handhygiëne met water en zeep, en zorgvuldige reiniging en desinfectie van de omgeving met geschikte sporicide middelen. Daarnaast is het van belang dat er heldere diagnostische criteria worden gehanteerd voor het opheffen van maatregelen. De implementatie van deze maatregelen vereist een cultuur van kennisdeling, voldoende faciliteiten en een proactieve houding van alle betrokkenen, van zorgverlener tot schoonmaker, om verspreiding effectief te voorkomen.

Bronnen

  1. SRI-richtlijnen - Clostridioides
  2. Amsterdam UMC - Isolatiemaatregelen bij Clostridium difficile
  3. Het Acute Boekje - Isolatiebeleid

Gerelateerde berichten