Inleiding
De maatregel Inrichting voor Stelselmatige Daders (ISD) is ontwikkeld als een specifieke interventie voor personen die zich herhaaldelijk betrokken zien bij ernstige strafbare feiten, waardoor ze een aanzienlijke drempel vormen voor de openbare orde en veiligheid. Deze maatregel is bedoeld om het patroon van herhaling van criminaliteit door stelselmatige daders te doorbreken en hen te ondersteunen bij gedragsverandering.
De ISD-maatregel kent een duur van maximaal twee jaar en wordt opgelegd in een gespecialiseerde inrichting. Het beleid richt zich niet alleen op het verminderen van criminaliteit, maar ook op het bieden van intensieve hulp en begeleiding die gericht is op recidivereductie. De effectiviteit en het beleid rondom deze maatregel zijn echter regelmatig onderzocht om haar doelgroep beter te kunnen ondersteunen.
In dit artikel wordt de ISD-maatregel besproken vanuit meerdere invalshoeken: de juridische voorwaarden voor oplegging, de praktijkuitvoering, de effectiviteit en aanbevelingen voor verbetering. Op basis van onderzoeken en rapporten van betrouwbare instanties, zoals het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC), worden de kernaspecten van de ISD-maatregel geanalyseerd.
Juridische basis en opleggingscriteria
De ISD-maatregel is juridisch geregeld in de Wet voorgeschreven maatregelen (WvSv). Deze maatregel is bedoeld voor personen die zich herhaaldelijk betrokken hebben bij ernstige strafbare feiten en die geen reële alternatieven meer hebben voor herstel of gedragsverandering.
Er zijn twee soorten criteria die bepalen of de ISD-maatregel toepasbaar is: de zogenaamde ‘harde’ en ‘zachte’ criteria. De ‘harde’ criteria zijn juridisch vastgelegd in de WvSv en worden onder andere bepaald door de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Deze richtlijn fungeert als een richtinggevende tekst voor het Openbaar Ministerie bij de aanspanning van de ISD-maatregel. Als deze richtlijn niet wordt gevolgd, kan dit leiden tot juridisch gevolgen, zoals een schending van de beginselen van een behoorlijke rechtspleging, waardoor de oplegging van de maatregel in de weg staat.
De ‘zachte criteria’ zijn minder formeel en houden in dat geen reële alternatieven meer bestaan voor de oplegging van de maatregel. Dit betekent dat de maatregel slechts wordt toegepast wanneer andere opties als begeleiding of hulpverlening niet meer voldoende zijn. De ISD-maatregel wordt dan gezien als een ultimum remedium, wat betekent dat het pas wordt ingezet als alle andere maatregelen zijn uitgeput.
Praktijkuitvoering en de rol van de rechter
De oplegging van de ISD-maatregel verloopt via een specifiek proces. Het Openbaar Ministerie voert de maatregel aan, maar dit gebeurt pas nadat er een overleg is geweest in het zogenaamde veelplegersoverleg, dat plaatsvindt in het Veiligheidshuis. Tijdens dit overleg wordt geoordeeld of aan de opleggingscriteria is voldaan. Als dat het geval is, dient de reclassering een advies in over het toepassen van de ISD-maatregel.
De rechter speelt een centrale rol in het proces. Zodra de maatregel is opgelegd, wordt de dader geplaatst in een gespecialiseerde inrichting. Deze inrichting is specifiek ingericht voor stelselmatige daders en biedt intensieve begeleiding, behandeling en zorg. Het succes van deze maatregel hangt sterk af van de samenwerking met externe partijen zoals zorginstellingen en schuldhulpverlening. Deze samenwerking is essentieel voor het oplossen van problemen op het gebied van inkomsten, schulden, huisvesting en zorg.
Het personeel in de ISD-inrichting bestaat uit zorg- en behandelingswerkers die speciaal zijn opgeleid voor deze soort interventies. Dit is van groot belang, aangezien het creëren van een motiverende omgeving een sleutelfactor is voor succes. De inrichting biedt een intensieve aanpak die gericht is op gedragsverandering, recidivereductie en herintegraatie in de samenleving.
Fasen van de ISD-maatregel
De ISD-maatregel kent meerdere fasen. In de beginfase is het doel om de dader te stabiliseren en de basis voor gedragsverandering te leggen. In de tweede fase wordt intensievere begeleiding en behandeling aangeboden. Tijdens de laatste fase wordt overgegaan op een voorziening voor begeleid wonen of een zorgvoorziening, afhankelijk van de behoeften en vooruitgang van de persoon. Het doel is uiteindelijk om te voorkomen dat de persoon opnieuw in crimineel gedrag vervalt en zo overlast in de samenleving te verminderen.
Een belangrijk aspect van deze fasen is de tussentijdse toets van de maatregel. Na zes maanden kan een verzoek worden ingediend om de maatregel te beëindigen. De rechter beoordeelt dan of het beëindigen van de maatregel zou leiden tot onveiligheid, overlast of verloedering van het publieke domein. Ook wordt gekeken of het niet-welslagen van de maatregel aan de opstelling van de dader ligt. Deze tussentijdse toets is echter zelden gunstig beslist.
Effectiviteit en kritiek
Hoewel de ISD-maatregel bedoeld is om herhaling van criminaliteit te voorkomen, zijn er ook kritische kijkhoeken. Eén van de beperkingen is dat de maatregel langdurig is, namelijk maximaal twee jaar. Dit kan soms weinig motiverend werken voor de betrokkene. Bovendien is de intrinsieke motivatie voor gedragsverandering bij stelselmatige daders vaak ontbrekend, wat het succes van de maatregel in twijfel trekt.
Onderzoek door het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) heeft al meerdere keren de effectiviteit van de ISD-maatregel geëvalueerd. In 2012 werden de eerste resultaten gepubliceerd, gevolgd door een kosten-batenanalyse in 2014. In 2019 verscheen een vervolgrapport, en in 2022 werd er onderzoek gedaan naar werkzame factoren in de opzet en uitvoering van de maatregel. Dit onderzoek leidde tot het rapport ‘Onbenut potentieel’, waarin aanbevelingen werden gedaan voor verbetering van het beleid.
Een van de belangrijkste conclusies uit dit onderzoek was dat er onvoldoende uniformiteit bestaat in de toepassing van de ISD-maatregel. Dit kan leiden tot verschillende uitkomsten afhankelijk van de regio of de betrokken partijen. Daarom adviseert het WODC tot een landelijke uniformering van het beleid rondom de ISD. Dit zou de kwaliteit van de interventie verbeteren en ervoor zorgen dat de maatregel effectiever wordt toegepast.
Aanbevelingen voor verbetering
Ten eerste is een landelijke uniformering van het beleid rondom de ISD-maatregel een essentiële verbetering. Deze uniformiteit zou zorgen voor gelijkwaardige behandeling van stelselmatige daders, ongeacht waar ze zich bevinden. Het zou ook helpen om ervoor te zorgen dat de maatregel op een consistente manier wordt toegepast en dat alle betrokken partijen dezelfde richtlijnen volgen.
Ten tweede is het verder uitrollen van interdisciplinaire samenwerking belangrijk. Er moet meer samenwerking komen tussen reclassering, zorginstellingen en schuldhulpverlening. Deze samenwerking is essentieel voor het bieden van een integrale aanpak die niet alleen gericht is op gedragsverandering, maar ook op het oplossen van onderliggende problemen zoals schulden, huisvesting en psychische problemen.
Ten derde is het belangrijk om de motivatie van stelselmatige daders te bevorderen. Aangezien deze groep vaak weinig intrinsieke motivatie heeft voor gedragsverandering, moeten er maatregelen komen die gericht zijn op het creëren van een positieve omgeving. Dit kan bijvoorbeeld gedaan worden via personalisering van de aanpak, het bieden van positieve beloningen voor gedragsverandering, en het verminderen van strafgerichte interventies.
Conclusie
De ISD-maatregel is ontworpen als een intensieve interventie voor stelselmatige daders, met als doel het doorbreken van het patroon van herhaling van criminaliteit. Deze maatregel wordt toegepast op basis van zowel harde als zachte criteria, en wordt uitgevoerd in een gespecialiseerde inrichting waar intensieve begeleiding en behandeling centraal staan.
Ondanks de goede bedoelingen van de ISD-maatregel blijken er ook beperkingen en uitdagingen te zijn. Onderzoek door het WODC heeft aangetoond dat er onvoldoende uniformiteit bestaat in de toepassing van de maatregel, wat leidt tot verschillende resultaten. Daarom is het aanbevolen om het beleid landelijk uniformer te maken en te zorgen voor een consistente aanpak.
Bovendien is interdisciplinaire samenwerking essentieel voor het succes van de ISD-maatregel. Samenwerking met zorginstellingen, schuldhulpverlening en reclassering is nodig om een integrale aanpak te garanderen. Ook is het creëren van een motiverende omgeving een sleutelfactor voor het succes van de interventie.
Tot slot is het belangrijk om te erkennen dat de ISD-maatregel niet voor iedereen geschikt is. Het is een ultimum remedium en wordt alleen toegepast wanneer alle andere alternatieven zijn uitgeput. Dit benadrukt het belang van vroegtijdige interventies en preventie, die een alternatief kunnen bieden voor de ISD-maatregel.