In het kader van Nederlandse strafrechtelijke praktijk is de ISD-maatregel (Intensieve Structuurbegeleiding) een maatregel die opgelegd kan worden aan veroordeelden met een verhoogd risico op herhaald strafbaar gedrag, meestal in combinatie met drugsproblematiek of psychiatrische klachten. Deze maatregel houdt in dat de veroordeelde gedurende een bepaalde periode onder specifieke begeleiding staat in een speciaal ingerichte instelling, zoals een FPK (Forensisch Psychiatrische Kliniek) of een ISD-traject binnen een strafinrichting.
Een belangrijk aspect van de ISD-maatregel is de mogelijkheid tot een tussentijdse beëindiging, zowel door middel van een verzoek tot beoordeling door de rechtbank (artikel 38s Sr.) als via een verzoek aan de Minister van Justitie (artikel 38u Sr.). Deze artikelen bieden een juridisch kader waarbinnen de noodzaak en haalbaarheid van de voortzetting van de maatregel kunnen worden herberekend. De rechtspraak en de praktijk laten echter ook zien dat zulke verzoeken niet zonder meer worden toegestaan. In dit artikel wordt ingegaan op de juridische mogelijkheden, de praktijkuitvoering en de relevante jurisprudentie rond de tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel.
Wettelijke mogelijkheden voor tussentijdse beëindiging
Verzoek tot tussentijdse beoordeling door de rechtbank (artikel 38s Sr.)
Een van de centrale juridische mogelijkheden om de ISD-maatregel tussentijds te beëindigen is het verzoek tot tussentijdse beoordeling door de rechtbank, zoals uitgelegd in artikel 38s van de Wet voorzieningen strafrechtelijke rechtspleging (WvSr.). Deze beoordeling kan worden aangevraagd door de verdediging, en wordt vervolgens beoordeeld door de rechtbank die in eerste aanleg bevoegd was om over de strafzaak te beslissen.
De rechtspraak benadrukt regelmatig dat artikel 38s Sr. een belangrijk instrument is om de voortzetting van de maatregel continu onder de loep te nemen. Een verzoek tot tussentijdse beoordeling kan worden ingediend bijvoorbeeld als er aanwijzingen zijn dat de maatregel niet effectief wordt uitgevoerd of dat de noodzaak om de veroordeelde te begeleiden op dit moment niet langer aanwezig is.
Een voorbeeld hiervan is te vinden in de uitspraak van de Rechtbank Zwolle-Lelystad van 20 december 2005 (LJN AU 9604). In die zaak had de rechtbank op 3 mei 2005 de ISD-maatregel opgelegd, maar bepaalde ook dat een tussentijdse beoordeling binnen zes maanden zou moeten plaatsvinden. Bij de beoordeling op 20 december 2005 oordeelde de rechtbank dat er tot dan toe geen enkele inhoudelijke uitvoering had plaatsgevonden aan de maatregel, en dat er op korte termijn ook geen uitzicht was op dergelijke uitvoering. Hierop besloot de rechtbank om de maatregel te beëindigen.
Een soortgelijk geval is te vinden in de uitspraak van de Rechtbank Utrecht van 3 mei 2006 (LJN AW8982). Ook hier was sprake van een tijdsperiode waarin de maatregel niet daadwerkelijk was uitgevoerd. De rechtbank concludeerde dat het landelijk probleem rond de financiering en opvang van ISD’ers een belemmering vormde, en daarom besloot ze om de maatregel te beëindigen.
In het kader van artikel 38s Sr. is het belangrijk om aan te tonen dat de maatregel inderdaad niet effectief wordt uitgevoerd of dat er voldoende bewijs is dat de doelen van de maatregel zijn bereikt. Juridisch gezien houdt dit in dat de veroordeelde geen langer onder de ISD-maatregel hoeft te staan, bijvoorbeeld omdat het recidiverisico is verminderd of omdat er voldoende vooruitgang is geboekt in de behandeling van de drugsproblematiek of psychische aandoening.
Verzoek aan de Minister van Justitie (artikel 38u Sr.)
Naast een tussentijdse beoordeling door de rechtbank biedt artikel 38u Sr. ook de mogelijkheid tot een tussentijdse beëindiging van de maatregel door middel van een verzoek aan de Minister van Justitie. Deze procedure is minder gebruikelijk dan de rechtbankbeoordeling, maar kan in bepaalde gevallen van toepassing zijn.
Een voorbeeld van het gebruik van artikel 38u Sr. is te vinden in de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 23 mei 2006 (LJN AX 4217). De rechtbank oordeelde dat in het kader van de ISD-maatregel onvoldoende aandacht zou kunnen worden besteed aan de psychiatrische problemen van de verdachte. Hierop besloot de rechtbank om de maatregel te beëindigen, maar het is niet duidelijk of dit via artikel 38u Sr. is gebeurd.
Het verzoek aan de Minister van Justitie vereist een andere benadering dan bij de rechtbank. Het betreft hier een administratieve procedure waarin de minister zelf een beslissing neemt op basis van de voorgestelde argumenten. Dit kan voordelig zijn in gevallen waarin de rechtbank geen bevoegdheid heeft of waarin de zaak niet binnen de strafprocesrechtelijke bevoegdheid valt.
Praktijkuitvoering en juridische standpunten
Evaluatieverslagen en voortgangsverslagen
Bij de beoordeling van een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel speelt het advies van deskundigen een centrale rol. In de praktijk worden evaluatieverslagen en voortgangsverslagen ingezien, die ingevuld worden door ISD-casemanagers of trajectbegeleiders. Deze verslagen bevatten informatie over de voortgang van de behandeling, het recidiverisico en de algemene toestand van de veroordeelde.
In de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 oktober 2023 (ECLI:NL:RBZWB:2023:7375) is bijvoorbeeld een evaluatierapportage ingezien waarin het advies tot voortzetting van de ISD-maatregel werd uitgebracht. De deskundige benadrukte dat de behandeling nog niet volledig was en dat het risico op herhaald strafbaar gedrag nog steeds aanwezig was. Hierop besloot de rechtbank om het verzoek tot beëindiging af te wijzen.
Een ander voorbeeld is te vinden in de uitspraak van 5 oktober 2022, waarin een voortgangsverslag werd ingezien dat het advies tot voortzetting bevatte. De deskundige benadrukte dat de ISD-casemanager geen extramuraal traject kon opstarten vanwege administratieve problemen bij de IND. Hieruit bleek dat de noodzaak van de maatregel voorlopig nog bestond.
Invloed van de officier van justitie en verdediging
Tijdens de beoordeling van een verzoek tot tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel wordt ook het standpunt van de officier van justitie en de verdediging meegenomen. In de praktijk gebeurt dit doorgaans via een zitting waarbij de betrokken partijen worden gehoord. In de uitspraak van 25 oktober 2023 werd bijvoorbeeld de verdediging en een deskundige gehoord, terwijl de veroordeelde zelf niet aanwezig was.
De officier van justitie speelt een cruciale rol bij het geven van juridisch advies. In de uitspraak van diezelfde zitting concludeerde de officier tot voortzetting van de ISD-maatregel, op basis van de beschikbare informatie en het advies van de deskundige. De verdediging had daarentegen het verzoek tot beëindiging ingediend, maar dit werd niet in overweging genomen door de rechtbank.
Juridische voorbeelden en rechtspraak
Rechtspraak en praktijkuitvoering
De rechtspraak speelt een belangrijke rol bij het bepalen van de haalbaarheid van een tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel. In verschillende gevallen is duidelijk geworden dat de rechtbank bereid is om de maatregel te beëindigen, mits er voldoende aanwijzingen zijn dat de noodzaak ervan verdwenen is of dat er sprake is van onvoldoende uitvoering.
Een duidelijk voorbeeld is te vinden in de uitspraak van de Rechtbank Amsterdam van 16 juni 2006 (LJN AY5607 en LJN AY5613). In deze gevallen was het de bedoeling dat de betrokkene in de FPK “De Meren” in Amsterdam geplaatst zou worden, maar dit was niet gelukt. De rechtbank concludeerde dat het een landelijk probleem was met financiering en wachtlijsten, en daarom besloot ze om de maatregel te beëindigen.
In een ander geval, Rechtbank Utrecht van 3 maart 2006 (NJFS 2006, 189), was sprake van een betrokkene die in een gewone gevangenis was opgenomen, terwijl hij intensieve psychische begeleiding nodig had. Hierop besloot de rechtbank om de ISD-maatregel te beëindigen, aangezien de noodzaak ervan niet langer bestond.
Risico’s en juridische overwegingen
De rechtbanken houden bij de beoordeling van een verzoek tot tussentijdse beëindiging rekening met verschillende risico’s. Eén van de belangrijkste overwegingen is het risico op herhaald strafbaar gedrag. In de uitspraak van 25 oktober 2023 benadrukte de deskundige dat het recidiverisico nog steeds aanwezig was, en dat het onwaarschijnlijk was dat de betrokkene zich zou houden aan afspraken als de maatregel zou worden beëindigd.
Daarnaast wordt er ook rekening gehouden met het risico op ernstige overlast of verloedering van het publiek domein. In de uitspraak van Hof Arnhem van 23 oktober 2006 (LJN AZ0948) benadrukte de rechter dat opheffing van de ISD-maatregel zou kunnen leiden tot onveiligheid of ernstige overlast. Deze overwegingen zijn van groot belang bij het bepalen van de haalbaarheid van een verzoek tot beëindiging.
Conclusie
De tussentijdse beëindiging van de ISD-maatregel is een juridisch mogelijk proces dat kan worden ingezet wanneer er aanwijzingen zijn dat de maatregel niet langer nodig is of niet effectief wordt uitgevoerd. Er zijn twee hoofdmogelijkheden voor dit proces: een verzoek tot tussentijdse beoordeling door de rechtbank (artikel 38s Sr.) en een verzoek aan de Minister van Justitie (artikel 38u Sr.). Beide procedures vereisen een degelijke juridische onderbouwing, waaronder het advies van deskundigen en de standpunten van de officier van justitie en de verdediging.
De praktijk laat zien dat de rechtbanken niet automatisch instemmen met een verzoek tot beëindiging, maar dat ze de noodzaak en haalbaarheid van de maatregel opnieuw onderzoeken. In sommige gevallen is de maatregel beëindigd vanwege onvoldoende uitvoering of omdat de doelen ervan zijn bereikt. In andere gevallen is de maatregel voortgezet vanwege het aanwezige risico op herhaald strafbaar gedrag of het afwezige effect van de begeleiding.
Het is daarom belangrijk om voor een verzoek tot beëindiging van de ISD-maatregel een goed onderbouwde juridische benadering te hanteren, met steun van deskundig advies en een duidelijke argumentatie. Dit maakt het proces niet alleen juridisch haalbaar, maar ook effectief in de praktijk.