Coördinatieregeling Omgevingswet: Verplichte en Facultatieve Procedure voor Efficiënte Besluitvorming

De introductie van de Omgevingswet brengt een fundamentele verschuiving in de manier waarop bestuursorganen besluiten nemen. Centraal in deze nieuwe wetgeving staat de coördinatieregeling, een mechanisme ontworpen om de complexiteit van samengestelde aanvragen te beheersen en de efficiëntie van de besluitvorming te maximaliseren. Deze regeling, neergelegd in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), vormt de juridische ruggengraat voor het gelijktijdig behandelen van meerdere besluiten die op elkaar betrekking hebben. Het doel is tweeledig: enerzijds de procedurele efficiëntie verhogen door het vermijden van dubbele inspanningen en anderzijds de rechtszekerheid voor aanvragers vergroten door het bieden van één uniforme procedure voor de voorbereiding, totstandkoming en rechtsbescherming van besluiten.

De coördinatieregeling is niet slechts een administratieve formaliteit, maar een essentieel instrument voor de uitvoering van complexe projecten die onder de Omgevingswet vallen. Waar vroeger diverse wetten hun eigen coördinatieregelingen kenden, is deze nu geconsolideerd in de Awb. De wijziging van de Awb, die gelijktijdig met de Omgevingswet in werking treedt, zorgt ervoor dat er één uniforme procedure is voor de voorbereiding van besluiten, het indienen van aanvragen, het geven van adviezen en het instellen van termijnen voor het uitspreken van de besluiten. Deze centralisatie is cruciaal voor projecten die zowel een wateractiviteit als een milieubelastende activiteit omvatten, of voor grote infrastructuurprojecten.

Juridische Basis en Structuur van de Coördinatieregeling

De coördinatieregeling vindt haar rechtsgrondslag in afdeling 3.5 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Deze afdeling is recentelijk gewijzigd door de Wet tot Wijziging Algemene wet bestuursrecht en enkele andere wetten in verband met het nieuwe omgevingsrecht en nadeelcompensatierecht (Staatsblad 2021, 135). De nieuwe regeling vervangt de eerdere coördinatieregelingen die in diverse wetten waren opgenomen en die nu zijn opgegaan in de Omgevingswet. Dit betekent dat de coördinatieregeling nu van toepassing is voor het gehele omgevingsrecht en daarbuiten, wat een significante vereenvoudiging met zich meebrengt.

De kern van de regeling ligt in het creëren van één gezamenlijke procedure voor besluiten die op elkaar betrekking hebben. Dit impliceert dat er sprake is van een enkel bevoegd gezag dat de rol van coördinerend bestuursorgaan op zich neemt. Dit gezag is verantwoordelijk voor het coördineren van de procedure, het vaststellen van termijnen en het verzorgen van de rechtsbescherming. De meeste regels over de gecoördineerde besluitvorming zijn te vinden in deze afdeling 3.5. De regeling omvat bepalingen over het buiten behandeling laten van aanvragen, het geven van adviezen, de geldigheid van omgevingsvergunningen en instructies van Gedeputeerde Staten of een minister.

Voor de toepassing van de coördinatieregeling geldt dat deze van toepassing is als dat bij wettelijk voorschrift is bepaald of als het bevoegd gezag dat met een coördinatiebesluit op grond van artikel 3:20, onder b Awb zo heeft bepaald. De wetgever heeft in artikel 16.7 van de Omgevingswet expliciet voorgeschreven in welke gevallen de coördinatieregeling verplicht moet worden toegepast. Dit betreft voornamelijk situaties waarin meerdere vergunningen gelijktijdig worden aangevraagd.

De coördinatieregeling zorgt ervoor dat procedurestappen effectief en efficiënt doorlopen kunnen worden. Een cruciaal aspect is dat aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig moeten worden ingediend, zoals bepaald in artikel 3:24 Awb. De wet stelt dat de laatste aanvraag niet later mag worden ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag. Dit zorgt voor een duidelijke tijdslijn en voorkomt onnodige vertragingen in de procedure.

Verplichte Toepassing bij Samengestelde Vergunningen

De toepassing van de coördinatieregeling is in specifieke gevallen verplicht. Dit is het geval bij besluiten op de aanvraag van een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit en de aanvraag om een andere activiteit die de aanvrager gelijktijdig heeft ingediend (artikel 16.7, lid 1, onder a Omgevingswet). Deze verplichting geldt ook wanneer het gaat om wijzigingen van vergunningvoorschriften van deze omgevingsvergunningen.

Een belangrijk punt is dat een omgevingsvergunning voor een wateractiviteit anders dan overige activiteiten apart moet worden aangevraagd en vergund (artikel 10.21 Omgevingsbesluit). Omdat er in deze gevallen twee aparte omgevingsvergunningen nodig zijn, heeft de wetgever de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb van toepassing verklaard. Dit is noodzakelijk omdat er meerdere bevoegde gezagen betrokken zijn.

In deze context is het coördinerende bestuursorgaan het bevoegd gezag van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit. Dit betekent dat de overheid die toezicht houdt op de milieubelastende activiteit de leiding neemt over de gehele procedure. Dit zorgt voor een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden en voorkomt dat er sprake is van dubbele procedures of conflicterende besluiten.

De wetgever heeft de coördinatieregeling in dit geval verplicht gesteld omdat er sprake is van een complexiteit die alleen met een gecoördineerde aanpak beheersbaar is. Door de coördinatieregeling wordt de procedure vereenvoudigd en wordt de rechtszekerheid voor de aanvrager vergroot. De aanvrager hoeft niet meer met meerdere instanties te onderhandelen, maar kan zich richten op één gezamenlijke procedure.

Projectbesluiten en Hoofdinfrastructuur

Naast de situatie van samengestelde vergunningen is de coördinatieregeling ook verplicht van toepassing bij besluiten ter uitvoering van een projectbesluit (artikel 16.7, lid 1, onder c van de Omgevingswet). Dit geldt voornamelijk voor projectbesluiten die zien op hoofdinfrastructuur, zoals de aanleg van een snelweg, of primaire waterkeringen, bijvoorbeeld de versterking van een dijk.

Bij projectbesluiten die zien op hoofdinfrastructuur is de coördinatieregeling verplicht van toepassing (artikel 5.45, lid 2, Omgevingswet en artikel 5.46 Omgevingswet). In deze gevallen is het coördinerende bestuursorgaan het bestuursorgaan dat het bevoegd gezag voor het projectbesluit is (artikel 5.45, lid 3 Omgevingswet). Dit betekent dat de instantie die het projectbesluit heeft vastgesteld, ook de leiding neemt over de uitvoeringsbesluiten.

Deze verplichte toepassing is essentieel voor grote infrastructurele projecten waarbij diverse vergunningen en plannen met elkaar verbonden zijn. Door de coördinatieregeling wordt de procedure voor deze projecten gestroomlijnd en wordt de kans op vertragingen verminderd. Het bevoegd gezag voor een projectbesluit kan soms als bevoegd gezag optreden voor besluiten ter uitvoering van dat projectbesluit. Dit heet ook wel indeplaatstreding.

Daarnaast kan het bevoegd gezag bij andere projectbesluiten bepalen dat artikel 16.7 – en dus de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb – van toepassing is. Dit geeft de overheid de flexibiliteit om de coördinatieregeling toe te passen op projecten die niet onder de hoofdinfrastructuur vallen, maar waar een gecoördineerde aanpak wenselijk is.

Facultatieve Coördinatie en Flexibiliteit

Naast de verplichte gevallen bestaat er de mogelijkheid tot facultatieve coördinatie. Een bestuursorgaan mag er ook vrijwillig voor kiezen om de coördinatieregeling van afdeling 3.5 Awb toe te passen. De coördinatieregeling kan in dat geval in een apart besluit (een zogeheten coördinatiebesluit) van toepassing worden verklaard.

Voor de volgende besluiten is dit expliciet bepaald in artikel 16.8 van de Omgevingswet: - Een omgevingsplan - Een waterschapsverordening - Een omgevingsverordening - Een programma - Een projectbesluit of een omgevingsvergunning

In het verleden is onder de Crisis- en herstelwet bij de herinrichting van de Rotterdamse haven en het Limburgse industriecomplex Chemelot met een soortgelijke coördinatieregeling gewerkt voor een meer gebiedsgerichte aanpak bij het herinrichten van deze haven- en industriegebieden. Dit toont aan dat de coördinatieregeling ook buiten de strikte verplichte gevallen nuttig kan zijn voor complexe gebiedsontwikkelingen.

Het bevoegde bestuursorgaan kan dus zelf beslissen om de coördinatieregeling toe te passen op een breed scala aan besluiten. Dit biedt de overheid de mogelijkheid om de procedure te stroomlijnen voor projecten die niet onder de verplichte gevallen vallen, maar waar een gecoördineerde aanpak wenselijk is. De facultatieve coördinatie is een krachtig instrument voor de overheid om de efficiëntie van de besluitvorming te verhogen.

Technische Specificaties en Procedurele Vereisten

De coördinatieregeling stelt specifieke eisen aan de procedurele aspecten van de gecoördineerde besluitvorming. Een van de belangrijkste vereisten is dat de aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig moeten worden ingediend. De wet bepaalt dat de laatste aanvraag niet later mag worden ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag. Dit zorgt voor een duidelijke tijdslijn en voorkomt onnodige vertragingen in de procedure.

De coördinatieregeling omvat ook bepalingen over het buiten behandeling laten van de aanvraag, het geven van adviezen, de termijn gelding van omgevingsvergunningen en instructies van Gedeputeerde Staten of een minister. Deze aspecten zijn cruciaal voor het waarborgen van een eerlijke en transparante procedure.

In de context van een coördinatieverordening, zoals die door de gemeente Ommen is vastgesteld, geldt dat coördinatie op grond van deze verordening alleen mogelijk is als tenminste het besluit over een bestemmingsplan en het besluit over een omgevingsvergunning tot de te coördineren besluiten behoren. Dit betekent dat de coördinatieregeling niet mag worden toegepast als de aanvraag past in het geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie neerkomen op het omzeilen van de gewone vergunningprocedure.

De coördinatieregeling is dus niet een middel om de gewone procedure te omzeilen, maar een instrument om complexe gevallen te beheersen. Het is essentieel dat de aanvrager begrijpt dat de coördinatieregeling alleen van toepassing is in specifieke gevallen waarin de procedure te complex is voor een enkele vergunning.

Vergelijking van Verplichte en Facultatieve Coördinatie

Om de verschillen en overeenkomsten tussen de verplichte en facultatieve toepassing van de coördinatieregeling duidelijk te maken, is onderstaande tabel opgesteld. Deze tabel biedt een overzicht van de verschillende gevallen waarin de coördinatieregeling van toepassing is.

Type Coördinatie Rechtsgrondslag Voorbeelden Coördinerend Orgaan
Verplichte Coördinatie Artikel 16.7, lid 1, onder a Omgevingswet Omgevingsvergunning voor wateractiviteit + andere activiteit Bevoegd gezag voor milieubelastende activiteit
Verplichte Coördinatie Artikel 5.45, lid 2 Omgevingswet Projectbesluit voor hoofdinfrastructuur (snelweg, dijkversterking) Bestuursorgaan van het projectbesluit
Facultatieve Coördinatie Artikel 16.8 Omgevingswet Omgevingsplan, waterschapsverordening, programma Bevoegd gezag (kan vrijwillig kiezen)

De tabel toont aan dat de coördinatieregeling zowel verplicht als vrijwillig kan worden toegepast. In de verplichte gevallen is er geen keuze, terwijl in de facultatieve gevallen de overheid zelf kan beslissen om de coördinatieregeling toe te passen.

Coördinatieverordening en Lokale Toepassing

Naast de nationale wetgeving kunnen gemeenten een eigen coördinatieverordening vaststellen. Een voorbeeld hiervan is de Coördinatieverordening van de gemeente Ommen, die geldig is van 25-06-2014 tot heden. Deze verordening is gebaseerd op artikel 149 van de Gemeentewet en artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening.

De verordening definieert begrippen als aanvrager, besluit, bestemmingsplan, coördineren, omgevingsvergunning, uitwerkingsplan, wijzigingsplan, Wabo en Wro. Deze definities zijn essentieel voor het begrijpen van de reikwijdte van de verordening. De verordening stelt dat coördinatie op grond van deze verordening alleen mogelijk is als tenminste het besluit over een bestemmingsplan en het besluit over een omgevingsvergunning tot de te coördineren besluiten behoren.

De verordening benadrukt dat de coördinatieregeling niet mag worden toegepast als de aanvraag past in het geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie neerkomen op het omzeilen van de gewone vergunningprocedure. Dit betekent dat de coördinatieregeling alleen van toepassing is in gevallen waarin er sprake is van strijdigheid met het bestemmingsplan die opgeheven moet worden door een nieuw plan.

De verordening is een belangrijk instrument voor gemeenten om de procedure voor complexe projecten te stroomlijnen. Het biedt een kader voor de coördinatie van besluiten die op elkaar betrekking hebben. De verordening is dus niet een middel om de gewone procedure te omzeilen, maar een instrument om complexe gevallen te beheersen.

De Rol van het Coördinerende Bestuursorgaan

Een cruciaal aspect van de coördinatieregeling is de rol van het coördinerende bestuursorgaan. Dit orgaan is verantwoordelijk voor het coördineren van de procedure, het vaststellen van termijnen en het verzorgen van de rechtsbescherming. In de gevallen waarin de coördinatieregeling verplicht is van toepassing, is het coördinerende bestuursorgaan het bevoegd gezag van de omgevingsvergunning voor de milieubelastende activiteit.

In de gevallen waarin de coördinatieregeling facultatief is, kan het bevoegd gezag zelf bepalen welk bestuursorgaan de coördinerende rol op zich neemt. Dit biedt de overheid de flexibiliteit om de procedure aan te passen aan de specifieke behoeften van het project. Het coördinerende bestuursorgaan kan ook besluiten ter uitvoering van een projectbesluit nemen, wat bekend staat als indeplaatstreding.

De rol van het coördinerende bestuursorgaan is essentieel voor het waarborgen van een effectieve en efficiënte procedure. Het orgaan is verantwoordelijk voor het coördineren van de procedure, het vaststellen van termijnen en het verzorgen van de rechtsbescherming. Dit zorgt voor een duidelijke verdeling van verantwoordelijkheden en voorkomt dat er sprake is van dubbele procedures of conflicterende besluiten.

Procedurele Aspecten en Termijnen

De coördinatieregeling stelt specifieke eisen aan de procedurele aspecten van de gecoördineerde besluitvorming. Een van de belangrijkste vereisten is dat de aanvragen zoveel mogelijk gelijktijdig moeten worden ingediend. De wet bepaalt dat de laatste aanvraag niet later mag worden ingediend dan zes weken na ontvangst van de eerste aanvraag. Dit zorgt voor een duidelijke tijdslijn en voorkomt onnodige vertragingen in de procedure.

De coördinatieregeling omvat ook bepalingen over het buiten behandeling laten van de aanvraag, het geven van adviezen, de termijn gelding van omgevingsvergunningen en instructies van Gedeputeerde Staten of een minister. Deze aspecten zijn cruciaal voor het waarborgen van een eerlijke en transparante procedure.

In de context van een coördinatieverordening, zoals die door de gemeente Ommen is vastgesteld, geldt dat coördinatie op grond van deze verordening alleen mogelijk is als tenminste het besluit over een bestemmingsplan en het besluit over een omgevingsvergunning tot de te coördineren besluiten behoren. Dit betekent dat de coördinatieregeling niet mag worden toegepast als de aanvraag past in het geldende bestemmingsplan. In dat geval zou coördinatie neerkomen op het omzeilen van de gewone vergunningprocedure.

Conclusie

De coördinatieregeling onder de Omgevingswet vormt een essentieel instrument voor het beheersen van complexe procedures die meerdere vergunningen en plannen omvatten. Door de coördinatieregeling wordt de procedure vereenvoudigd en wordt de rechtszekerheid voor de aanvrager vergroot. De regeling is zowel verplicht als facultatief van toepassing, afhankelijk van het type project en de betrokken activiteiten.

De coördinatieregeling zorgt ervoor dat procedurestappen effectief en efficiënt doorlopen kunnen worden. Dit is van cruciaal belang voor grote infrastructuurprojecten, samengestelde vergunningen en gebiedsgerichte ontwikkelingen. Het coördinerende bestuursorgaan speelt een centrale rol in het waarborgen van een transparante en eerlijke procedure.

De invoering van de coördinatieregeling onder de Omgevingswet is een belangrijke stap voorwaarts in de stroomlijning van de omgevingsvergunningen en de besluitvorming. Het biedt een duidelijk kader voor het beheersen van complexe projecten en zorgt voor een efficiënte en transparante procedure.

Bronnen

  1. Coördinatieregeling: procedure-coordinatieregeling
  2. Coördinatie onder de Omgevingswet: wanneer en hoe
  3. Coördinatie onder de Omgevingswet
  4. Versnelde en gestroomlijnde besluitvorming onder de Omgevingswet: het coördinatiebesluit
  5. Coördinatieverordening gemeente Ommen

Gerelateerde berichten