De Nederlandse ruimtelijke ordening wordt beheerst door een complex systeem van wettelijke kaders en beleidsinstrumenten. Twee kernconcepten vormen het ruggengraat van dit systeem: het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Het begrip 'bestemmingsplan' verwijst naar een planologisch instrument waarmee een gemeenteraad zijn beleid voor een specifiek gebied vastlegt. Dit plan bepaalt waar welke functie, met bijbehorende bebouwing, is toegestaan. Het is het belangrijkste instrument van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en heeft als doel een 'goede ruimtelijke ordening' te realiseren, zoals bepaald in artikel 3.1 Wro. Een bestemmingsplan bevat een beschrijvend deel met vlakken en aanduidingen die de bestemming aangeven, gevolgd door gedetailleerde regels. Deze regels omschrijven onder andere de maximale hoogtes, bebouwingspercentages, en specifieke gebruiksverboden. Zonder deze regels zou een plan een 'papieren tijger' zijn, wat betekent dat er geen rechtsgrondslag is om tegen overtredingen op te treden.
De omgevingsvergunning daarentegen is een vergunning die vereist is voor specifieke activiteiten, zoals het bouwen van gebouwen of het oprichten en veranderen van inrichtingen. Deze vergunning is onlosmakelijk verbonden met het bestemmingsplan. In de meeste gevallen is een omgevingsvergunning nodig bij nieuwbouw of grotere wijzigingen aan een bestaand pand. Ook als er nieuwe activiteiten worden ondernomen die hinder of belasting op mens en milieu in de directe omgeving kunnen veroorzaken, is deze vergunning noodzakelijk. De kern van het systeem ligt in het feit dat een omgevingsvergunning wordt getoetst aan het actuele bestemmingsplan. Als een bouwplan binnen de richtlijnen van het bestemmingsplan valt, is de vergunning vaak voldoende. Echter, als het plan in strijd is met het bestemmingsplan, is er een afwijkingsprocedure nodig. Dit onderscheid is cruciaal voor elk bouwproject, of het nu gaat om een woningbouw, een uitbreiding van een bedrijf, of de installatie van windturbines.
Het Bestemmingsplan als Fundamenteel Instrument
Het bestemmingsplan is meer dan een administratief document; het is de juridische vertaling van het gemeentelijk planologisch beleid. Dit plan legt vast waar welke functie is toegestaan binnen het grondgebied van de gemeente. De structuur van een bestemmingsplan bestaat uit een beschrijvend deel en een deel met gedetailleerde regels. In het beschrijvende deel worden door middel van vlakken en aanduidingen de bestemmingen aangegeven. Dit kan variëren van woonbestemmingen tot bedrijfsbestemmingen. Een voorbeeld is de situatie waarin op een specifiek perceel alleen volumineuze detailhandel is toegestaan, zoals keuken- en woonwinkels. In een bekend geval waarbij de vestiging van een Bristolfiliaal door de gemeente werd geblokkeerd, bleek dat de locatie volgens het bestemmingsplan alleen voor volumineuze detailhandel bestemd was. Het Europese Hof bepaalde dat dergelijke blokkades niet zonder meer mogen plaatsvinden als ze in strijd zijn met Europese regelgeving, maar het benadrukt de strikte toepassing van het bestemmingsplan.
De regels binnen het bestemmingsplan zijn van toepassing op alle projecten die in dat gebied worden gerealiseerd. Ze bevatten onder andere bepalingen over maximale hoogtes en bebouwingspercentages. Daarnaast bevat het plan regels over welk gebruik binnen de bestemming verboden is. Dit is meestal een algemeen gebruiksverbod, inhoudende dat gronden niet mogen worden gebruikt in strijd met de doeleindenomschrijving. Soms wordt een bepaald gebruik specifiek genoemd als strijdig met de bestemming. Een voorbeeld van een specifiek gebruiksverbod is het verbod om een pand met een woonbestemming te gebruiken voor activiteiten verband houdende met prostitutie. Als een gemeente geen gebruiksverbod in het bestemmingsplan opneemt, wordt het plan een papieren tijger, wat betekent dat er geen rechtsgrondslag is om tegen overtredingen op te treden.
Bestemmingsplannen worden gemaakt voor een periode van tien jaar en zijn vaak nog langer van kracht. Gemeenten kunnen nooit vooraf alles voorzien en in de basisregeling opnemen. Dit leidt tot de noodzaak van flexibiliteit. De regels zijn echter strikt. Een goede ruimtelijke ordening vereist dat alle bouwwerken en activiteiten voldoen aan deze regels. Een bestemmingsplan is dus van toepassing op een gebied, terwijl een vergunning van toepassing is op specifieke activiteiten binnen een concreet project. Dit onderscheid is essentieel: wat in het bestemmingsplan staat, geldt voor alle projecten in dat gebied, terwijl de vergunning specifiek is voor een bepaald project, zoals een specifiek type windturbine of een bepaalde opstelling van zonnepanelen.
De Omgevingsvergunning en de Vergunningplicht
De omgevingsvergunning is een vergunning die vereist is voor vele activiteiten, zoals het bouwen van gebouwen of bouwwerken, of het oprichten of veranderen van een inrichting. Met het verkrijgen van een vergunning verkrijgt men toestemming om een bepaalde activiteit uit te voeren. In een omgevingsvergunning kunnen meerdere toestemmingen zitten, zoals slopen en bouwen. Niet voor alle activiteiten is zo'n toestemming vereist. Voor de meeste omgevingsvergunningen speelt het bestemmingsplan een belangrijke rol. Doorgaans moet de activiteit waarvoor een omgevingsvergunning is vereist, passen in de regels van het bestemmingsplan.
De wetgeving die hieraan ten grondslag ligt, is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Artikel 2.1 Wabo regelt in welke gevallen er een omgevingsvergunningplicht geldt. Dit geldt onder meer voor de activiteit "bouwen" en voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan". In Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) zijn uitzonderingen op de vergunningplicht opgenomen. Het toetsingskader voor de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit "bouwen" is vastgelegd in artikel 2.10 lid 1 Wabo. Dit kader bestaat uit het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de redelijke eisen van welstand en de gemeentelijke Bouwverordening. Als aan één van deze criteria niet wordt voldaan, moet de omgevingsvergunning worden geweigerd. Voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" is het toetsingskader opgenomen in artikel 2.12 lid 1 Wabo.
De bevoegdheid om de vergunning te verlenen ligt doorgaans bij het gemeentebestuur (college van burgemeester en wethouders). Voor de meeste bouwactiviteiten is de gemeente bevoegd. Afhankelijk van de voorgenomen activiteit kan het zijn dat de vergunning bij de provincie of een andere overheidsinstantie moet worden aangevraagd. In een vergunningaanvraag moet worden aangegeven waarvoor men een vergunning aanvraagt en hoe die activiteiten voldoen aan het bestemmingsplan en andere relevante regelgeving, zoals geluidsvoorschriften en bouwhoogtes.
Afwijking van het Bestemmingsplan en Procedure
Als een bouwplan in strijd is met het bestemmingsplan, dan is een omgevingsvergunning nodig voor afwijking daarvan. Dit is een complexe procedure die specifieke regels kent. Er zijn drie mogelijkheden om een omgevingsvergunning te verkrijgen voor afwijking van het bestemmingsplan. Met een eenvoudige en snelle procedure (8 weken + 6 weken) kan men een omgevingsvergunning verkrijgen op grond van een binnenplanse vrijstelling in het bestemmingsplan zelf of op grond van de kruimellijst. In dit geval is men niet verplicht om een zware ruimtelijke onderbouwing bij de vergunningaanvraag in te dienen.
De belangrijkste mogelijkheden om op een eenvoudige manier snel een omgevingsvergunning te verkrijgen, staan in de kruimellijst in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Met onderdeel 1 van artikel 4 kunnen hele verdiepingen op een bouwwerk worden gerealiseerd. Met onderdeel 9 kan het gebruik worden gewijzigd. Als de gemeente alleen tijdelijk wil meewerken aan afwijking van het bestemmingsplan, dan kan zij met onderdeel 11 voor tien jaar een tijdelijke omgevingsvergunning verlenen.
Wanneer er plannen klaarliggen voor bijvoorbeeld een verbouwing, is het verstandig na te gaan welke vergunningen hiervoor allemaal benodigd zijn. Dit kan overigens nog wel eens complex zijn. Als men twijfelt of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan, kan men een onverplichte vergunningaanvraag indienen. Dit klinkt vreemd, maar is een slimme keuze. Dit werkt als volgt: men vraagt een vergunning aan voor een activiteit die mogelijk in strijd is met het plan, maar zonder dat er direct een afwijking nodig is. Dit geeft duidelijkheid over de toepasbaarheid van het plan.
Vergelijking: Bestemmingsplan versus Omgevingsvergunning
Om de verschillen en samenhang tussen deze twee concepten helder te maken, is een vergelijking essentieel. Het bestemmingsplan is een algemeen geldend document voor een gebied, terwijl de omgevingsvergunning een specifieke toestemming is voor een concreet project.
| Kenmerk | Bestemmingsplan | Omgevingsvergunning |
|---|---|---|
| Reikwijdte | Van toepassing op een heel gebied (gemeentelijk grondgebied). | Van toepassing op specifieke activiteiten binnen een concreet project. |
| Inhoud | Bevat vlakken, aanduidingen, bouwvlakken, bouwhoogtes, gebruiksverboden. | Bevat toestemming voor bouwen, slopen, veranderen van inrichting. |
| Juridische Basis | Wet ruimtelijke ordening (Wro), artikel 3.1. | Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), artikel 2.1. |
| Duur | Vaak 10 jaar of langer. | Kan tijdelijk zijn (maximaal 10 jaar bij afwijking). |
| Toetsingskader | Bepaalt wat toegestaan is in een gebied. | Wordt getoetst aan het bestemmingsplan en andere regels (Bouwbesluit, welstand). |
| Doel | Goede ruimtelijke ordening. | Toestemming voor specifieke bouwwerken of activiteiten. |
Deze tabel illustreert dat het bestemmingsplan de regels stelt, terwijl de omgevingsvergunning de toestemming geeft om binnen of afwijkend van die regels te handelen. Een bestemmingsplan kan gezien worden als de wet van het gebied, terwijl de vergunning de toelating is voor een specifieke daad.
Toetsingscriteria en Afwijkingen
Het toetsingskader voor een omgevingsvergunning is strikt gedefinieerd. Voor de activiteit "bouwen" bestaat het kader uit het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de redelijke eisen van welstand en de gemeentelijke Bouwverordening. Als aan één van deze criteria niet wordt voldaan, moet de vergunning worden geweigerd. Voor de activiteit "afwijken van het bestemmingsplan" is het toetsingskader eveneens in de Wabo opgenomen (artikel 2.12 lid 1 Wabo).
Een belangrijk aspect is de kruimellijst in artikel 4 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht. Deze lijst biedt een snelle procedure voor bepaalde afwijkingen. Onderdeel 1 van deze lijst stelt dat hele verdiepingen op een bouwwerk gerealiseerd kunnen worden zonder de volledige zware procedure. Onderdeel 9 stelt dat het gebruik gewijzigd kan worden. Onderdeel 11 stelt dat de gemeente een tijdelijke omgevingsvergunning kan verlenen voor tien jaar als ze alleen tijdelijk wil meewerken aan de afwijking.
In de praktijk betekent dit dat als een project in strijd is met het bestemmingsplan, men een afwijking moet aanvragen. Als het project binnen de regels valt, is een standaard omgevingsvergunning voldoende. Een voorbeeld is het project Energielandgoed Wells Meer. In de vergunningaanvraag wordt aangegeven hoe de activiteiten voldoen aan het bestemmingsplan, maar ook aan andere regelgeving zoals geluidsvoorschriften en bouwhoogtes. Dit toont de noodzaak van een gedetailleerde onderbouwing.
De Rol van de Gemeente en de Bevoegdheid
De bevoegdheid om een omgevingsvergunning te verlenen ligt doorgaans bij het gemeentebestuur, het college van burgemeester en wethouders. Voor de meeste bouwactiviteiten is de gemeente bevoegd. Afhankelijk van de voorgenomen activiteit, verschilt het bij welke overheidsinstantie de vergunning moet worden aangevraagd (provincie, gemeente, etc.). Dit betekent dat de gemeente de bewaker is van het bestemmingsplan en de vergunningen.
Als er twijfel is over de toepasbaarheid van het bestemmingsplan, kan een onverplichte vergunningaanvraag worden ingediend. Dit is een strategische keuze om zekerheid te krijgen over de juridische positie van een project. Dit is vooral relevant als men twijfelt of het gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.
De wetgeving is dynamisch. Er zijn verschillende jurisprudentie en uitspraken van de Raad van State (ABRvS) die de toepassing van de wet verduidelijken. De referenties zoals ABRvS 30 september 1996, nr. E03.95.0732, en andere uitspraken tot 2012 en 2019, tonen de evolutie van de regelgeving. Deze jurisprudentie is essentieel voor het begrijpen van de nuance tussen een 'papieren tijger' en een effectief bestemmingsplan.
Praktische Toepassing en Voorbeelden
In de praktijk ziet men dat een bestemmingsplan vaak voor tien jaar wordt gemaakt, maar vaak langer van kracht blijft. Gemeenten kunnen niet vooraf alles voorzien en in de basisregeling opnemen. Dit leidt tot de noodzaak van afwijkingen. Een voorbeeld is het geval van de Bristolfiliaal, waarbij de gemeente de vestiging blokkeerde omdat op die locatie alleen volumineuze detailhandel was toegestaan. Het Europese Hof bepaalde dat dit niet zonder meer mag, maar het onderstreept de strikte toepassing van het bestemmingsplan.
Een ander voorbeeld is het project Energielandgoed Wells Meer. Hierbij wordt in de vergunningaanvraag aangegeven waarvoor een vergunning wordt aangevraagd en hoe die activiteiten voldoen aan het bestemmingsplan en andere regelgeving, zoals geluidsvoorschriften en bouwhoogtes. Dit toont dat een vergunning niet alleen omgaat met bouwen, maar ook met het voldoen aan milieuvoorschriften.
De procedure voor een afwijking kan snel zijn als het gaat om de kruimellijst. Met de kruimellijst kan men in 8 weken + 6 weken een vergunning verkrijgen zonder zware onderbouwing. Dit is vooral handig voor kleine aanpassingen, zoals het toevoegen van een verdieping (onderdeel 1) of het wijzigen van het gebruik (onderdeel 9). Voor tijdelijke projecten kan de gemeente een vergunning verlenen voor maximaal tien jaar (onderdeel 11).
Conclusie
Het Nederlandse systeem van ruimtelijke ordening berust op de wisselwerking tussen het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning. Het bestemmingsplan vormt het statische kader binnen een gebied, waarin de regels voor bouwen en gebruik worden vastgelegd. De omgevingsvergunning is het dynamische instrument dat toestemming geeft voor specifieke activiteiten binnen dat kader of als afwijking daarvan. De wetgeving, voornamelijk de Wabo en het Besluit omgevingsrecht, zorgt voor een gestructureerde procedure waarin de gemeente de sleutelrol vervult.
De complexiteit van dit systeem vereist een nauwkeurige analyse van het bestemmingsplan voordat er een vergunning wordt aangevraagd. Als een project binnen de regels valt, is een standaard vergunning voldoende. Als het project in strijd is met het plan, is een afwijking noodzakelijk. De kruimellijst biedt een snelle route voor bepaalde afwijkingen, terwijl de algemene procedure meer tijd en onderbouwing vereist. De rechtszekerheid voor projecten zoals Energielandgoed Wells Meer of de Bristolfiliaal toont hoe cruciaal dit systeem is voor de uitvoering van bouwprojecten. Een goed begrip van deze twee instrumenten is onmisbaar voor elke bouwprofessional, eigenaar of ontwikkelaar die in Nederland wil bouwen of verbouwen.
Bronnen
- Omgevingsvergunning of Bestemmingsplanwijziging
- Alles wat je moet weten over bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen
- Omgevingsvergunning in de praktijk: bestemmingsplan
- Omgevingsvergunning afwijking bestemmingsplan
- Wat is het verschil tussen het bestemmingsplan en de vergunningen
- Omgevingsvergunning voor bouwen en afwijken van het bestemmingsplan