Jurisprudentie Omgevingsvergunning: Tegelen, Van Rechtswege en de Rol van het Bevoegd Gezag

De ontwikkeling van de Nederlandse omgevingswetgeving en de bijbehorende rechtspraak vormen een dynamisch veld waar rechtszekerheid voor burgers en professionals van cruciaal belang is. Centraal staat de vraag hoe bestuursrechtelijke principes, zoals de Tegelen-jurisprudentie en het concept van de vergunning van rechtswege, evolueren onder de nieuwe Omgevingswet (Ow) en de bijbehorende Besluit Kwaliteit en Toezicht (Bkl). De rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en diverse rechtbanken verduidelijkt hoe belanghebbendheid wordt gedefinieerd, hoe het bevoegd gezag moet handelen bij tekortkomingen in aanvragen en welke gevolgen de vernietiging van een bestemmingsplan heeft voor een reeds verleende vergunning. Deze juridische lijnen bepalen niet alleen de uitkomst van individuele zaken, maar vormen ook de blauwdruk voor het handelen van gemeenten en de rechten van aanvragers en derden.

Een van de meest fundamentele aspecten in dit domein is de bepaling van wie als belanghebbende wordt beschouwd bij een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwactiviteiten. Op grond van de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State wordt de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen in beginsel verondersteld belanghebbende te zijn bij de beslissing op zijn eigen verzoek. Met een uitspraak van 15 augustus 2018 bevestigde de Afdeling expliciet een nieuwe koers die al eerder was ingezet met uitspraken uit juli 2017 en april 2018. Uit deze nieuwe jurisprudentielijn volgt dat de aanvrager als belanghebbende wordt aangemerkt, tenzij aannemelijk is gemaakt dat het bouwplan niet kan worden verwezenlijkt. Hiermee verlaat de Afdeling uitdrukkelijk het eerdere criterium dat aannemelijk moest zijn dat het bouwplan nimmer kan worden verwezenlijkt. Dit is een aanzienlijke verruiming van de kansen voor aanvragers om bezwaar aan te tekenen tegen besluiten die hen betreffen, aangezien de drempel voor het betwisten van een vergunning is verlaagd.

De toepassing van deze regel wordt verduidelijkt door een concreet geval waarin een verzoek centraal stond om een omgevingsvergunning voor het plaatsen van drie balkons aan de achtergevel van een pand met meerdere appartementen op meerdere verdiepingen. Het bouwplan omvatte de bouw van deze drie balkons bij meerdere appartementen. Door de nieuwe koers wordt de aanvrager in dergelijke gevallen geacht belanghebbende te zijn, wat betekent dat hij het recht heeft om bezwaar te maken tegen een beslissing die hem direct aangaat, tenzij er bewijs is dat het plan onuitvoerbaar is. Dit verschuift de focus van een absolute onmogelijkheid naar een meer pragmatische beoordeling van de haalbaarheid van het plan.

De Tegelen-Jurisprudentie en Rechtszekerheid onder de Omgevingswet

Een ander cruciaal aspect van de omgevingsjurisprudentie is de zogenaamde Tegelen-jurisprudentie. Deze rechtsregel vormt een uitzondering op de hoofdregel van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die bepaalt dat de vernietiging van een besluit ook zorgt voor de vernietiging van de rechtsgevolgen van dat besluit (artikel 8:72, tweede lid, Awb). De Tegelen-jurisprudentie stelt dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning moet worden uitgegaan van het recht zoals dat gold op het moment van de vergunningverlening of het besluit op bezwaar. Dit betekent dat een reeds verleende vergunning niet automatisch ongeldig wordt als het onderliggende bestemmingsplan later wordt vernietigd.

Deze uitzondering geldt echter alleen als de omgevingsvergunning paste in het vernietigde bestemmingsplan. Bij binnen- en buitenplanse afwijkingen strekt de rechtszekerheid van een vergunninghouder niet zo ver dat een uitzondering op de hoofdregel gerechtvaardigd is. De rechtbank bevestigt in recente uitspraken dat de Tegelen-jurisprudentie ook onder de Omgevingswet behouden blijft. Hoewel het juridische kader is vernieuwd, blijft het toetsmoment hetzelfde. De rechtszekerheid van de vergunninghouder wordt hierdoor beschermd tegen latere wijzigingen in de ruimtelijke planning.

Een recent voorbeeld hiervan is de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 14 januari 2026. De zaak ging over een omgevingsvergunning voor de bouw van 33 woningen in de gemeente Oldebroek. De gemeente verleende in mei 2024 een omgevingsvergunning, waarbij de gronden op dat moment bestemd waren voor wonen. Nadat de vergunning was verleend, vernietigde de Afdeling op 21 mei 2025 het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. Hierdoor kregen de gronden weer een agrarische bestemming, zonder de mogelijkheid om wegen of tuinen aan te leggen. De eiseres beweerde dat de vergunninghouder vanaf de vernietiging van het bestemmingsplan geen werkbare omgevingsvergunning meer had. De rechtbank oordeelde echter anders en verwijst naar de vaste Tegelen-jurisprudentie. Daarin is bepaald dat bij de beoordeling van een omgevingsvergunning moet worden uitgegaan van het recht zoals dat gold op het moment van de vergunningverlening.

Als tegen een dergelijke vergunning geen bezwaar wordt ingediend, dan wordt deze vergunning na het verlopen van de bezwaartermijn onaantastbaar. Een daaropvolgende schorsing of vernietiging van het omgevingsplan zal op grond van de Tegelen-jurisprudentie geen effect meer kunnen hebben. Dit biedt grote zekerheid voor ontwikkelaars en eigenaren die op een verguning vertrouwen.

De Rol van het Bevoegd Gezag en Actieve Houding

Een andere belangrijke ontwikkeling in de jurisprudentie betreft de houding van het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders) bij de behandeling van aanvragen voor een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). In een uitspraak van 15 oktober 2025 deed de rechtbank een 56ste rechterlijke uitspraak over dit instrument. Het ging over een weigering van de aangevraagde BOPA. De rechtbank ging verder op de belangrijke jurisprudentielijn die door de rechtbank Oost-Brabant op 29 oktober 2024 en de rechtbank Noord-Nederland op 5 april 2025 is ingezet.

Het Besluit Kwaliteit en Toezicht (Bkl) verwacht een actievere houding van het bevoegd gezag. Het college moet actiever zijn bij de beoordeling van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een BOPA. Dit geldt niet alleen voor de fase van de vergunningverlening, maar ook voor de bezwaarfase. Volgens de vaste jurisprudentie (ABRvS 4 oktober 2023), die nog steeds geldt ondanks de inwerkingtreding van de Omgevingswet, is het college gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een aanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen.

Deze verplichting tot een actieve houding impliceert dat het college niet passief mag afwachten of de aanvrager zelf zijn aanvraag corrigeert. Als de commissie tekortkomingen constateert, moet het college deze gebreken proberen te herstellen. Dit geldt ook in de bezwaarfase. Het college moet zorgen dat de aanvrager de kans krijgt om zijn aanvraag aan te vullen met wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor geen nieuwe aanvraag vereist is. In een specifiek geval had het college tot het ontvangen van het advies van de commissie steeds gesteld dat met het verlenen van de aangevraagde omgevingsvergunning onder voorschriften werd voldaan aan het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De rechtbank benadrukt echter dat het college actiever moet zijn in het identificeren en oplossen van tekortkomingen.

Vergunning van Rechtswege: Het Einde van een Rechtsfiguur

Een van de meest significante veranderingen onder de nieuwe Omgevingswet is het einde van de zogenaamde "vergunning van rechtswege". Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet (IOw) volgt dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. Zo is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) nog van toepassing als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.

De wetgever heeft echter expliciet een uitzondering gemaakt voor artikel 3.9 lid 3, eerste zin van de Wabo. Dit artikel luidde: "Paragraaf 4.1.3.3 van de Awb is van toepassing op de voorbereiding van de beslissing op de aanvraag". Artikel 4:20b lid 1 Awb bepaalde dan: "Indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, is de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven". Dit uitgangspunt is sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet, vanwege de hierboven genoemde uitzondering, oud recht en niet meer van toepassing.

Vanaf 1 januari 2024 kan dan ook geen omgevingsvergunning van rechtswege meer ontstaan. Dit betekent dat het niet meer mogelijk is dat een vergunning automatisch wordt verleend omdat het bevoegd gezag niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist. Dit verandert de dynamiek van vergunningsprocedures aanzienlijk, aangezien aanvragers niet meer kunnen rekenen op een automatische vergunning bij stilzwijgen van het bestuur.

De Rol van Schorsing en Voorlopige Voorziening

Een ander belangrijk aspect van de jurisprudentie is de relatie tussen een omgevingsvergunning en de schorsing van het onderliggende bestemmingsplan. Als tegen een dergelijke vergunning geen bezwaar wordt ingediend, dan wordt deze vergunning na het verlopen van de bezwaartermijn onaantastbaar. Een daaropvolgende schorsing of vernietiging van het omgevingsplan zal op grond van de Tegelen-jurisprudentie geen effect meer kunnen hebben.

Het indienen van bezwaar tegen een omgevingsvergunning is echter niet voldoende om de rechtszekerheid te behouden als het onderliggende plan wordt aangevochten. Alleen als een belanghebbende tegelijk met het indienen van het bezwaarschrift ook verzoekt om een schorsing van het omgevingsplan, zal met het nemen van een beslissing op bezwaar moeten worden gewacht tot de voorzieningenrechter zich heeft uitgesproken over de schorsing. Als het schorsingsverzoek pas na het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning wordt ingediend, mag de beslissing op bezwaar al worden genomen voordat de voorzieningenrechter zich heeft uitgesproken over de schorsing.

Onder de Omgevingswet hebben belanghebbenden tijdig (lees: vóór of uiterlijk gelijktijdig met het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning) een verzoek om een voorlopige voorziening moeten indienen. Doen zij dit niet, dan is de kans groot dat zij de Tegelen-jurisprudentie tegengeworpen krijgen. Dit betekent dat de vergunninghouder in veel gevallen geen bescherming meer heeft als hij niet tijdig actie onderneemt om de procedure aan te houden.

Onder de Omgevingswet heeft het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening bij omgevingsplannen géén automatisch schorsende werking. Dit betekent dat de uitspraak van de voorzieningenrechter moet worden afgewacht. Dit is een belangrijke verandering ten opzichte van het oude regime, waar een verzoek om schorsing vaak direct leidde tot een schorsing van de procedure. Nu moet de rechter actief beslissen over de schorsing, wat de onzekerheid voor belanghebbenden vergroot en de noodzaak van tijdig handelen benadrukt.

Samenvattend Overzicht van Jurisprudentiële Principes

Om de complexe jurisprudentie te structureren, volgt hier een overzicht van de belangrijkste principes en hun toepassing onder de nieuwe wetgeving.

Jurisprudentieel Principe Kerninhoud Toepassing onder Omgevingswet
Belanghebbendheid Aanvrager is belanghebbende tenzij aannemelijk is dat het plan niet kan worden verwezenlijkt. Behouden; drempel verlaagd van "nimmer" naar "niet kan".
Tegelen-jurisprudentie Vergunning wordt beoordeeld op basis van het recht op het moment van verlening. Behouden; beschermt vergunninghouder tegen latere vernietiging van plan.
Actieve houding bevoegd gezag College moet aanvrager in de gelegenheid stellen om aanvraag aan te vullen bij tekortkomingen. Versterkt door Bkl; geldt voor vergunningverlening en bezwaarfase.
Vergunning van rechtswege Automatische verlening bij stilzwijgen van het college. Niet meer van toepassing vanaf 1 januari 2024.
Schorsing en Voorlopige Voorziening Verzoek om schorsing moet gelijktijdig met bezwaar worden ingediend. Geen automatische werking; rechter moet beslissen over schorsing.

Toekomstige Richtingen en Praktische Implicaties

De ontwikkelingen in de jurisprudentie rondom de omgevingsvergunning hebben directe praktische implicaties voor professionals in de bouw, vastgoed en bestuursrecht. De nieuwe koers bij de beoordeling van belanghebbendheid betekent dat meer partijen recht hebben op bezwaar, wat de procedure kan verlengen maar ook de rechtszekerheid voor aanvragers verhoogt. De bevestiging van de Tegelen-jurisprudentie onder de Omgevingswet biedt stabiliteit voor investeerders die vertrouwen op verleende vergunningen, zelfs als het onderliggende plan later wordt aangevochten.

De eis voor een actievere houding van het bevoegd gezag betekent dat gemeenten meer verantwoordelijkheid dragen voor de kwaliteit van hun besluitvorming. Het college moet proactief handelen om gebreken in aanvragen te herstellen, in plaats van passief afwachten of de aanvrager zelf corrigeert. Dit vereist een verandering in de interne processen van gemeenten en een betere communicatie met aanvragers.

Het afschaffen van de vergunning van rechtswege is een fundamentele verandering. Aanvragers kunnen niet meer rekenen op een automatische vergunning bij stilzwijgen van het bestuur. Dit vereist een actieve follow-up van aanvragers en een strengere naleving van termijnen door het college. Voor professionals betekent dit dat ze de procedure moeten monitoren en niet op een automatische verlening kunnen vertrouwen.

De vereiste tijdige indiening van een verzoek om voorlopige voorziening is een kritisch punt voor belanghebbenden. Het indienen van bezwaar alleen is onvoldoende als er ook een schorsing van het plan wordt aangevraagd. Belanghebbenden moeten dus zorgen dat ze het verzoek om schorsing gelijktijdig met het bezwaarschrift indienen. Dit vereist een zorgvuldige planning en juridische ondersteuning om te voorkomen dat de Tegelen-jurisprudentie niet meer van toepassing is.

Conclusie

De jurisprudentie rondom de omgevingsvergunning onder de nieuwe Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit en Toezicht vormt een complex maar essentieel onderdeel van de Nederlandse ruimtelijke planning. De bevestiging van de Tegelen-jurisprudentie biedt stabiliteit voor vergunninghouders, terwijl de nieuwe koers bij belanghebbendheid de rechten van aanvragers versterkt. De eis voor een actievere houding van het bevoegd gezag verhoogt de verantwoordelijkheid van gemeenten, en het einde van de vergunning van rechtswege vereist een nieuwe aanpak van procedurele zekerheid. Voor professionals is het cruciaal om deze ontwikkelingen te begrijpen en te integreren in hun werkprocessen om rechtszekerheid te waarborgen en procedures efficiënt af te ronden.

Bronnen

  1. Nieuwe koers bij beoordeling belanghebbendheid omgevingsvergunning bouw
  2. 56ste rechterlijke uitspraak BOPA en actieve houding bevoegd gezag
  3. Tegelen-jurisprudentie blijft onder de Omgevingswet
  4. Door Tegelen onder de Omgevingswet
  5. Omgevingsvergunning van rechtswege: verleden tijd

Gerelateerde berichten